Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9788

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200206355/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2002, kenmerk DGWM/2002/10336, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 2 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting bestemd voor onder meer het opslaan, overslaan en sorteren van bouw- en sloopafval, bedrijfsafval en (grof) huishoudelijk afval op het perceel Zaag 1 te Krimpen aan de Lek, kadastraal bekend gemeente Nederlek, sectie A, nummers 5855 en 7511 (gedeeltelijk). Dit besluit is op 4 november 2002 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/97
JBO 2015/266
JBO 2005/266

Uitspraak

200206355/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "West Holland Milieu B.V.", gevestigd te Arnhem,

(thans: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “SITA Recycling Services West B.V.”, gevestigd te Rotterdam),

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2002, kenmerk DGWM/2002/10336, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 2 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting bestemd voor onder meer het opslaan, overslaan en sorteren van bouw- en sloopafval, bedrijfsafval en (grof) huishoudelijk afval op het perceel Zaag 1 te Krimpen aan de Lek, kadastraal bekend gemeente Nederlek, sectie A, nummers 5855 en 7511 (gedeeltelijk). Dit besluit is op 4 november 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 2 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2002, appellante sub 2 bij brief van 16 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2002, en appellanten sub 3 bij brief van 26 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2002, beroep ingesteld. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 14 januari 2003.

Bij brief van 4 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 7 mei 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2003, waar zijn verschenen: appellant sub 1 in persoon, appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellanten sub 3, waarvan [appellant] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.H. Pennekamp-Topman en ing. K.J. Alblas, beiden ambtenaar van de provincie.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellanten sub 3 niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen de toename van geluidhinder vanwege de ongeschiktheid van de aanrijroute voor het zware vrachtverkeer.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Anders dan verweerder heeft gesteld, vindt het beroep van appellanten sub 3 ook in zoverre wel zijn grondslag in de bedenkingen nu daarin is aangevoerd dat wordt gevreesd voor een toename van de geluidoverlast vanwege het verkeer van en naar de inrichting. Het beroep van appellanten sub 3 is daarom ook in zoverre ontvankelijk.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag – voorzover hier van belang – bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voorzover de verplichting voortvloeit uit de artikelen 41, 46 tot en met 50, 53, 65 tot en met 68 of 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder.

2.3. Appellant sub 1 en appellanten sub 3 voeren aan geluidhinder te ondervinden vanwege het verkeer van en naar de inrichting. In dat verband hebben zij onder meer aangevoerd dat de geluidbelasting vanwege het verkeer ter plaatse van de brug, die de toegangsweg vormt tot het industrieterrein, dient te worden getoetst aan de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden. Deze brug is volgens appellant sub 1 geen openbare weg, noch kan het verkeer ter plaatse van de brug opgenomen zijn in het heersende verkeersbeeld. Appellanten sub 3 betogen dat geluidhinder vanwege het verkeer dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Voorts merken zij op dat de ontsluitingsweg voor de inrichting ongeschikt is voor het zware vrachtverkeer. Appellant sub 1 voert verder aan zich er vanwege de toename van de verkeersbewegingen van en naar de inrichting niet mee te kunnen verenigen dat bij het bestreden besluit de maximaal vergunde hoeveelheid voor het op- en overslaan en sorteren van afval is uitgebreid van 140.000 ton per jaar tot 193.500 ton per jaar.

2.3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat indirecte hinder in de vorm van geluidhinder vanwege transportbewegingen van en naar de inrichting ter hoogte van de weg ‘de Noord’, niet behoeft te worden getoetst aan de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden. Verweerder wijst er verder op dat evenmin behoeft te worden getoetst aan de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting’ van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire Geluidhinder), nu de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein.

2.3.2. De Afdeling stelt voorop dat uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat verweerder dient te beslissen op basis van de aanvraag zoals deze bij hem is ingediend. Aangevraagd is onder meer het op- en overslaan en sorteren van afval met een totale capaciteit van 193.500 ton per jaar. Verder blijkt uit de stukken dat als gevolg van de bij het bestreden besluit verleende vergunning het aantal vrachtwagenbewegingen van en naar de inrichting 270 per dag zal bedragen.

De inrichting is gelegen op het krachtens de artikelen 53 en 57 van de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterrein “De Zaag en Noord”. De ontsluitingsweg voor de inrichting wordt gevormd door de Zaag, die aansluit op de hiervoor genoemde brug en een dijkweg, de Noord. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat zowel de Zaag, als de brug en de dijkweg dienen te worden aangemerkt als openbare wegen. Deze wegen maken geen deel uit van de inrichting en zijn vrij toegankelijk voor onder meer het verkeer van en naar de inrichtingen op het onderhavige industrieterrein. Hetgeen appellant sub 1 hieromtrent heeft aangevoerd, leidt de Afdeling niet tot een andere conclusie.

In haar uitspraak van 16 september 1996, no. E03.94.1331 (BR 1997, p. 50), heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat de geluidemissie van verkeersbewegingen op een openbare weg (op of buiten het industrieterrein) van en naar een inrichting die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein, niet behoeft te worden getoetst aan de voor de inrichting geldende equivalente geluidgrenswaarden die aansluiten bij de waarden die ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in acht moeten worden genomen. De verkeersbewegingen behoeven evenmin te worden getoetst aan de voor de inrichting geldende piekgeluidgrenswaarden. Anders dan appellant sub 1 en appellanten sub 3 stellen, kan de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de onderhavige inrichting derhalve niet worden aangemerkt als directe geluidhinder.

De Afdeling verwijst voorts naar haar uitspraak van 13 oktober 1997, no. E03.96.0906 (AB 1998/29), waarin reeds is geoordeeld dat de circulaire Geluidhinder niet kan worden toegepast ingeval sprake is van verkeer van en naar een op een gezoneerd industrieterrein gelegen inrichting. Verweerder heeft derhalve terecht geen aansluiting gezocht bij de aanbevolen grenswaarden uit de circulaire Geluidhinder.

Het voorgaande betekent overigens niet dat in het algemeen geen voorschriften zouden kunnen worden verbonden aan een vergunning ter beperking van geluidhinder van verkeersbewegingen van en naar een inrichting op een gezoneerd industrieterrein. De Afdeling is echter op grond van de stukken, in het bijzonder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij er in het onderhavige geval van heeft kunnen afzien voorschriften te stellen ter beperking van geluidhinder van de transportbewegingen van en naar de onderhavige inrichting. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat is gebleken dat het verkeer van en naar de inrichting geen gebruik kan maken van alternatieve ontsluitingsroutes.

Voorts overweegt de Afdeling, voorzover appellanten sub 3 betwijfelen of de ontsluitingsweg voor de inrichting geschikt is voor de verwerking van het verkeer en aanvoeren dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot verkeersonveilige situaties in de omgeving, dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en reeds om die reden niet kunnen slagen.

Gelet op het voorgaande treffen de bezwaren die appellanten hebben aangevoerd met betrekking tot geluidhinder vanwege verkeersbewegingen van en naar de inrichting geen doel.

2.4. Appellant sub 1 voert aan dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte heeft nagelaten het aan de vigerende vergunning verbonden voorschrift op te nemen, waarin is bepaald dat het niet is toegestaan in de inrichting verbrandingsmotoren in werking te hebben gedurende de avond- en nachtperiode van 19.00 uur tot 07.00 uur.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat blijkens de van de vergunning deel uitmakende aanvraag de inrichting in werking is op maandag tot en met vrijdag van 06.30 uur tot 23.00 uur en op zaterdag van 8.00 uur tot 16.00 uur.

Gelet op de stukken wordt vanwege het in werking zijn van de inrichting de 50 dB(A)-zonegrens niet overschreden. De in voorschrift 9.1.1 gestelde equivalente geluidgrenswaarden zijn ook voor het overige in overeenstemming met de waarden die ingevolge artikel 8.8, derde lid, van de Wet milieubeheer in acht moeten worden genomen. Wat betreft de in voorschrift 9.1.2 gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen overweegt de Afdeling dat deze waarden lager zijn dan de in de door verweerder gehanteerde Handreiking industrielawaai en vergunningverlening als maximaal aanvaardbaar aangemerkte grenswaarden. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde geluidgrenswaarden een toereikend beschermingsniveau bieden.

Blijkens het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V., gedateerd 22 april 2002, kunnen de gestelde geluidgrenswaarden voor zowel het equivalente geluidniveau als het piekgeluidniveau worden nageleefd.

Het voorgaande in aanmerking nemende heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is het door appellant sub 1 gewenste voorschrift te verbinden aan de bij het bestreden besluit verleende vergunning.

2.5. Appellanten sub 3 voeren aan geurhinder te ondervinden vanwege het in werking zijn van de inrichting. De hiertoe aan de vergunning verbonden voorschriften achten zij ontoereikend om geurhinder te voorkomen.

2.5.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn ter bescherming tegen geurhinder.

2.5.2. In hoofdstuk 7 van het aan de vergunning verbonden voorschriftenpakket zijn voorschriften opgenomen ter voorkoming dan wel ter beperking van geurhinder vanwege onder meer de op- en overslag van afval. Zo is in de voorschriften 7.1.5 en verder onder meer bepaald dat bepaalde afvalstoffen slechts in containers dan wel in de bedrijfshal dienen te worden opgeslagen en zijn er voorts maximale opslagtermijnen voorgeschreven.

De Afdeling overweegt verder dat in de van de vergunning deel uitmakende aanvraag maatregelen staan vermeld om geurhinder te voorkomen. Zo wordt onder meer huishoudelijk en groenafval opgeslagen binnen de bedrijfshal en vindt op- en overslag van onder meer vethoudend slib plaats in containers in de bedrijfshal. Indien containers in afwachting van afvoer op het buitenterrein worden geplaatst, zullen de containers worden afgedekt, dan wel vindt opslag in gesloten containers plaats. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden geurvoorschriften, bezien in samenhang met de in de aanvraag beschreven geurbeperkende maatregelen, een toereikend beschermingsniveau bieden tegen geurhinder.

2.6. Appellante sub 2 kan zich niet verenigen met voorschrift 3.1.11. Daartoe wijst zij er op dat de inrichting deel uitmaakt van een organisatie die bestaat uit meerdere vestigingen. De volledige administratie kan en behoeft volgens haar niet aanwezig te zijn in de onderhavige inrichting.

2.6.1. Verweerder acht het aanwezig zijn van de administratie van de registratie in de inrichting noodzakelijk om bij een controlebezoek mede dit deel van de bedrijfsvoering te kunnen beoordelen. Het bewaren van deze gegevens op een andere locatie bemoeilijkt volgens verweerder de toegankelijkheid van de informatie. Hij acht dit voorschrift niet onredelijk bezwarend.

2.6.2. Ingevolge voorschrift 3.1.11 dient de volledige administratie van de registratie binnen de inrichting aanwezig te zijn.

2.6.3. De Afdeling overweegt dienaangaande het volgende.

In hoofdstuk 3 van het voorschriftenpakket is een registratiesysteem voorgeschreven voor de inrichting, waarin de aan- en afvoer van alle afvalstoffen worden geregistreerd, alsmede de afvalstoffen die na aanbieding alsnog worden geweigerd. Blijkens de stukken wordt in de inrichting gebruik gemaakt van een geautomatiseerd afvalstoffenregistratiesysteem (“Clear”). Ter zitting is komen vast te staan dat in dit registratiesysteem alle aan- en afgevoerde afvalstoffen worden geregistreerd, met uitzondering van de geweigerde vrachten afvalstoffen. Voor de registratie van de geweigerde vrachten afvalstoffen wordt gebruik gemaakt van de zogenoemde GA/GV-formulieren die in de vestiging te Gouda worden bewaard.

Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat voorschrift 3.1.11 zodanig dient te worden uitgelegd dat binnen de onderhavige inrichting inzage in de volledige administratie mogelijk dient te worden gemaakt. Volgens verweerder behoeft daarvoor niet de volledige administratie fysiek aanwezig te zijn in de onderhavige inrichting. Wel dienen uit “Clear” de administratieve gegevens van de aan- en afgevoerde afvalstoffen te kunnen worden herleid en dienen de administratieve gegevens van de geweigerde vrachten ter plaatse toegankelijk te zijn, bijvoorbeeld door inzage in het registratiesysteem van de vestiging te Gouda mogelijk te maken.

De ter zitting door verweerder gegeven interpretatie strookt niet met de redactie van voorschrift 3.1.11, dat immers zonder meer bepaalt dat de volledige administratie van de registratie binnen de inrichting aanwezig dient te zijn. Derhalve verdraagt het bestreden besluit zich in zoverre niet met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.7. Appellante sub 2 voert aan dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 6.1.2, 6.2.1, 6.2.2 en 6.2.3, waarin onder meer vloeistofdichtheid van de vloeren wordt voorgeschreven, overbodig en onnodig bezwarend zijn. Daartoe wijst zij er op dat blijkens onderzoek het bodemrisico ter plaatse verwaarloosbaar is en dat reeds vloeistofkerende vloeren aanwezig zijn. In combinatie met een doelmatige milieuzorg wordt volgens appellante sub 2 zo in afdoende mate bodemverontreiniging voorkomen. Zij voert aan dat deze voorschriften dienen te worden vervangen door doelvoorschriften, waarbij kan worden volstaan met het voorschrijven van monitoring.

2.7.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in voorschrift 6.1.2 voorgeschreven vloeistofdichtheid van de vloeren in overeenstemming is met het bepaalde in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (hierna: de NRB). Verweerder wijst er op dat in de inrichting, ook in de hal, ten aanzien van de activiteiten sprake is van een open proces dat conform de NRB dient plaats te vinden boven een vloeistofdichte vloer. Volgens hem kan slechts met een dergelijke vloeistofdichte opvangvoorziening een verwaarloosbaar bodemrisico worden bereikt. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat monitoring niet leidt tot een verwaarloosbaar bodemrisico aangezien monitoring niet preventief is gericht.

2.7.2. Ingevolge voorschrift 6.1.2 moet het sorteren van bouw- en sloopafval, bedrijfsafval en (grof) huishoudelijk afval en het shredderen en verdichten van bedrijfsafval plaatsvinden boven een blijvend vloeistofdichte vloer.

Ingevolge voorschrift 6.2.1 dient binnen zes maanden na het in werking treden van deze vergunning een inspectie conform CUR/PBV-Aanbeveling 44 te worden verricht om aan te tonen dat de op basis van voorschrift 6.1.2 noodzakelijke, vloeistofdichte vloer voldoet aan de eisen ten aanzien van vloeistofdichtheid zoals gesteld in de NRB.

Ingevolge voorschrift 6.2.2 dienen de resultaten van de in het vorige voorschrift bedoelde inspectie binnen één maand na het bekend zijn te worden overgelegd aan het hoofd van de regio.

Ingevolge voorschrift 6.2.3 dient de vloer binnen twee maanden vloeistofdicht te worden gemaakt overeenkomstig het gestelde in KIWA/PBV-Beoordelingsrichtlijn 2371 en CUR/PBV-Aanbeveling 65 indien blijkt dat op basis van de inspectie de vloer niet als vloeistofdicht kan worden aangemerkt.

2.7.3. De Afdeling overweegt dienaangaande als volgt.

Voor de beoordeling van de noodzaak van bodembeschermende maatregelen heeft verweerder de NRB tot uitgangspunt genomen. Vast staat dat de potentiële bodembedreigende activiteiten, waaronder het sorteren van bouw- en sloopafval en het shredderen van bedrijfsafval, plaatsvinden in de bedrijfshal. Onbestreden is verder dat de in deze hal aanwezige vloer in de huidige staat kan worden aangemerkt als een vloeistofkerende vloer.

Bij toepassing van de NRB dient een stappenplan te worden gevolgd dat leidt tot het vaststellen van toereikende voorzieningen of maatregelen voor de bodembescherming van bedrijfsterreinen. De kern van het stappenplan wordt gevormd door het zogenoemde “Beslismodel Bodembescherming Bedrijfsterreinen” waarbij het risico op bodemverontreiniging vanwege bepaalde bedrijfsactiviteiten wordt bepaald. Daarbij kunnen ingevolge de NRB ook reeds aanwezige bodembeschermende maatregelen of voorzieningen worden betrokken. Uitgangspunt van de NRB is het bereiken van een beschermingsniveau waarbij kan worden gesproken van een verwaarloosbaar risico van bodemverontreiniging.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de activiteiten die in de hal plaatsvinden, kunnen worden ingedeeld in categorie 4.2 van de NRB, zijnde ‘(half) open proces of bewerking’. Teneinde een eindemissiescore van 1 te bereiken, behorend bij bodemrisicocategorie A (een verwaarloosbaar bodemrisico), dient volgens hem conform het bepaalde in deze categorie een vloeistofdichte ondergrond te zijn aangebracht. Verweerder heeft derhalve in voorschrift 6.1.2 een dergelijke vloeistofdichte ondergrond voorgeschreven. Mede gelet op het deskundigenbericht is de Afdeling echter van oordeel dat de vergunde bodembedreigende activiteiten die in de hal plaatsvinden niet zonder meer in voornoemde categorie 4.2 kunnen worden ingedeeld, omdat bij het bepalen van de eindemissiescore in categorie 4.2 geen rekening wordt gehouden met het aanwezig zijn van een overkapping als waarvan in de onderhavige inrichting sprake is. Doordat deze activiteiten plaatsvinden in de bedrijfshal wordt infiltratie van regenwater voorkomen. Uit het bestreden besluit, noch uit het verweerschrift blijkt dat dit aspect is betrokken bij de besluitvorming van verweerder.

Reeds hierom komt de Afdeling tot het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de voorschriften 6.1.2, 6.2.1, 6.2.2 en 6.2.3 voor vernietiging in aanmerking komt nu het in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht berust op een ondeugdelijke motivering.

2.8. Het beroep van appellante sub 2 is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft de voorschriften 3.1.11, 6.1.2, 6.2.1, 6.2.2 en 6.2.3. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen. Het beroep van appellante sub 2 is voor het overige en de beroepen van appellant sub 1 en appellanten sub 3 zijn geheel ongegrond.

2.9. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellante sub 2 te worden veroordeeld. Ten aanzien van appellant sub 1 en appellanten sub 3 bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 2 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 30 oktober 2002, kenmerk DGWM/2002/10336, voorzover het de voorschriften 3.1.11, 6.1.2, 6.2.1, 6.2.2 en 6.2.3 betreft;

III. draagt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op binnen dertien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep van appellante sub 2 voor het overige en de beroepen van appellant sub 1 en appellanten sub 3 geheel ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door appellante sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 44,67; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellante;

VI. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellante sub 2 het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

255-335.