Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9777

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
09-12-2003
Zaaknummer
200306714/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 2003, kenmerk VI/Z11997/OdH/MdB, heeft verweerder zijn toestemming om, met gebruikmaking van de procedure als bedoeld in artikel 28 van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap, verontreinigde grond uit Frankrijk in te voeren, ingetrokken. Voorts heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd in verband met de overtreding van artikel 26 van de EVOA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200306714/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V.", gevestigd te Moerdijk,

verzoekster,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2003, kenmerk VI/Z11997/OdH/MdB, heeft verweerder zijn toestemming om, met gebruikmaking van de procedure als bedoeld in artikel 28 van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: EVOA), verontreinigde grond uit Frankrijk in te voeren, ingetrokken. Voorts heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd in verband met de overtreding van artikel 26 van de EVOA.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 7 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 oktober 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 november 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigden],

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Welschen en

O. den Hollander, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft verzoekster te kennen gegeven dat het verzoek zich alleen richt tegen de opgelegde last onder dwangsom.

2.2. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoekster opgedragen de in Nederland opgeslagen twee vrachten grond, die zijn geïmporteerd op grond van de kennisgeving FR 63396 maar die volgens verweerder niet aan deze kennisgeving voldoen, te retourneren naar Frankrijk. Indien de grond niet binnen zes weken na inwerkingtreding van het besluit is geretourneerd, wordt een dwangsom verbeurd van € 10.000,00 per week met een maximum van € 100.000,00.

2.3. Verzoekster heeft aangevoerd dat de partij grond die in Nederland wordt ingevoerd, bestaat uit 3.000 ton verontreinigde grond afkomstig van een bodemsanering bij een vestiging in St. Etienne van het Franse nutsbedrijf EDF GDF Services Loire (hierna: EDF GDF). Voor de overbrenging van deze partij grond, door middel van ongeveer 120 vrachtwagentransporten, is door EDF GDF een kennisgeving gedaan op grond van artikel 28 van de EVOA. Omdat van deze procedure enkel gebruik kan worden gemaakt indien de afvalstoffen dezelfde fysische en chemische eigenschappen bezitten, heeft een monsternemer van verzoekster ten behoeve van de kennisgeving de grond conform de Nederlandse procedures bemonsterd en is de grond geanalyseerd op de te verwachten verontreinigende stoffen, aldus verzoekster. Deze analyse is de basis geweest van de kennisgeving. Verzoekster staat op het standpunt dat het logisch is dat, indien de grond uit slechts twee vrachtwagens (ongeveer 2% van de totale partij) wordt geanalyseerd, er verschillen optreden ten opzichte van het monster dat aan de kennisgeving ten grondslag heeft gelegen. Uit deze verschillen kan volgens verzoekster echter niet worden geconcludeerd dat het overgebrachte deel van de verontreinigde grond niet dezelfde fysische en chemische samenstelling heeft als de grond die in Frankrijk ligt opgeslagen.

Voorts heeft verzoekster betoogd dat het retourneren van de afvalstoffen naar Frankrijk onmogelijk is binnen de door verweerder aan het besluit verbonden begunstigingstermijn van zes weken omdat er opnieuw een kennisgevingsprocedure ingevolge de EVOA moet worden gevolgd. Bovendien is zij van mening dat het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom waartegen zij zienswijzen heeft ingediend slechts zag op de verdere invoering van de partij grond. De invoer heeft verzoekster daarom voorlopig opgeschort en het verbaast haar dan ook dat de nu opgelegde last onder dwangsom ziet op de reeds overgebrachte en opgeslagen 60 ton grond. Te meer nu ingevolge artikel 26, derde lid, van de EVOA de bevoegde autoriteit ervoor dient te zorgen dat de betrokken afvalstoffen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden verwijderd door de ontvanger of, indien dat niet mogelijk is, door de bevoegde autoriteit zelf, zodat van haar niet kan worden verlangd de grond te retourneren naar Frankrijk, aldus verzoekster.

2.4. Verweerder heeft in het bestreden besluit betoogd dat het monster dat genomen is van de 60 ton verontreinigde grond die is ingevoerd, niet overeenkomt met het analyserapport dat bij de kennisgeving FR 63396 is gevoegd. Hij heeft gesteld dat uit analyseresultaten van de bemonsterde partij blijkt dat het percentage polycylische aromatische koolwaterstoffen afwijkt van de kennisgeving. Bovendien zijn volgens verweerder cyanides aangetroffen terwijl in het analyserapport gevoegd bij de kennisgeving geen cyanides zijn vermeld. Nu verzoekster als feitelijke kennisgever moet worden aangemerkt, dient zij ervoor zorg te dragen dat de grond wordt teruggezonden naar Frankrijk. Omdat bij een controle is geconstateerd dat de grond nog steeds ligt opgeslagen in Nederland in plaats van onmiddellijk te zijn geretourneerd, heeft verweerder deze dwangsom opgelegd.

2.5. De Voorzitter stelt vast dat op de kennisgeving FR 63396 staat vermeld dat deze door EDF GDF wordt ingediend. Voorts heeft verweerder in het besluit van 14 april 2003 aan EDF GDF te kennen gegeven toestemming te verlenen voor de invoer van de partij verontreinigde grond. Hiermee staat naar oordeel van de Voorzitter vast dat EDF GDF als kennisgever in de zin van de EVOA moet worden aangemerkt. De Voorzitter kan verweerder dan ook niet volgen in zijn betoog dat verzoekster de feitelijke kennisgever is. Dat zij wellicht werkzaamheden heeft verricht om de overbrenging mogelijk te maken, zoals de bemonstering van de partij grond, maakt dit niet anders.

Verder is ter zitting duidelijk geworden dat verweerder de last onder dwangsom aan verzoekster heeft opgelegd wegens overtreding van artikel 26, eerste lid, onder c, van de EVOA. De Voorzitter overweegt dat artikel 26, tweede lid, van de EVOA in geval van sluikhandel de mogelijkheid biedt om de afvalstoffen door de kennisgever te laten terugbrengen naar de Staat van verzending, maar dat het derde lid, van de EVOA naar zijn oordeel geen aanknopingspunt biedt voor het opleggen van een last onder dwangsom aan de ontvanger van de afvalstoffen om de partij te retourneren. In het derde lid wordt slechts gesproken over verwijdering of nuttige toepassing. Hieronder kan naar het oordeel van de Voorzitter niet worden begrepen de terugzending van de afvalstoffen naar de Staat van verzending. Nu verzoekster moet worden aangemerkt als ontvanger van de afvalstoffen, kan de last onder dwangsom niet worden gebaseerd op het tweede lid van voornoemd artikel en nu het derde lid voor een dergelijke last geen basis biedt, ziet de Voorzitter reeds hierom aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat er geen overtreding van artikel 26, eerste lid, onder c, van de EVOA heeft plaatsgevonden, overweegt de Voorzitter het volgende. Uit het bestreden besluit, noch uit het besluit omtrent toestemming de 3.000 ton grond in te voeren, is op te maken wat het beleid van verweerder is ten aanzien van partijen grond die worden opgesplitst in verschillende transporten. Evenmin is uit het bestreden besluit op te maken op welke wijze de afzonderlijke transporten zijn bemonsterd, welke protocollen worden gevolgd, welke afwijkingen precies zijn geconstateerd en welke afwijkingen eventueel nog zouden zijn toegestaan. De Voorzitter is er namelijk niet van overtuigd dat indien zich afwijkingen in de analyseresultaten voordoen, zonder meer kan worden gesteld dat het niet gaat om afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische samenstelling, zeker niet wanneer het de analyseresultaten van een monster betreft, dat is genomen van een zeer gering deel van de gehele partij. De Voorzitter acht de motivering van het bestreden besluit, mede in het licht van het besluit van 14 april 2003 waar is gesteld dat de beschrijving van de afvalstoffen niet leidt tot bezwaren tegen het gebruik van een algemene kennisgeving, op dit punt dan ook onvoldoende en in zoverre is het besluit dan ook in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter ten aanzien van de opgelegde last onder dwangsom aanleiding tot het treffen van de na te melden voorlopige voorziening. De overige bezwaren behoeven geen bespreking.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 augustus 2003, kenmerk VI/Z11997/OdH/MdB, voorzover het de last onder dwangsom betreft;

II. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht

(€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.I. van Koten, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Koten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

324.