Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2003
Datum publicatie
09-12-2003
Zaaknummer
200306230/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Westerveld het bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan Bedrijventerrein Dieverbrug" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200306230/2.

Datum uitspraak: 4 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de vereniging "Vereniging Milieudefensie", gevestigd te Amsterdam,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Westerveld het bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan Bedrijventerrein Dieverbrug" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 augustus 2003, kenmerk 33/6.1/2003000558, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben onder meer verzoeker sub 1 bij brief van 16 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2003, en verzoekster sub 2 bij brief van 16 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2003, heeft verzoeker sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 16 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2003, heeft verzoekster sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 25 november 2003, waar verzoeker sub 1 in persoon, verzoekster sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door E. Saathof, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Westerveld, vertegenwoordigd door R.J. Smeenk, wethouder, en J.J. Zwier, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de aanleg van een bedrijventerrein bij de kern Dieverbrug. Het plan is vastgesteld om te voldoen aan de in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening neergelegde verplichting een nieuw plan vast te stellen. Deze verplichting is ontstaan nadat de Afdeling bij uitspraak van 17 april 2002, 200005020/1, zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Dieverbrug". De Afdeling oordeelde onder meer dat het beoogde kleinschalige karakter van het bedrijventerrein niet in dat plan gewaarborgd was.

2.3. Verzoekers stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan en verzoeken daarom schorsing van het bestreden besluit. Zij stellen dat de noodzaak van de aanleg van het bedrijventerrein niet is aangetoond en dat het plan in strijd is met het Provinciaal Omgevingsplan (hierna: POP). Voorts stellen verzoekers dat in de planvoorschriften onvoldoende tot uitdrukking komt dat het bedrijventerrein bedoeld is voor lokale, kleinschalige bedrijven. Zij wijzen in dat kader onder meer op de toegestane bouwhoogte en het bebouwingspercentage. Verder stellen verzoekers dat in de voorschriften ten onrechte geen normen ten aanzien van geluid- en lichthinder zijn opgenomen. Zij missen voorts voorschriften ten aanzien van bouwstijl, materiaalgebruik en energiebesparing.

2.4. De gemeenteraad heeft aan het bedrijventerrein de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling is in de planvoorschriften onder meer bepaald dat de oppervlakte van een bouwperceel niet meer dan 2.000 m2 mag bedragen.

2.5. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd. Verweerder is van mening dat het plan niet in strijd is met het POP. Het lokale en kleinschalige karakter van het bedrijventerrein is volgens verweerder thans voldoende gewaarborgd.

2.6. De Voorzitter overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 april 2002, 200005020/1, heeft overwogen dat niet is gebleken dat verweerder niet in redelijkheid de aanleg van een bedrijventerrein bij de kern Dieverbrug in overeenstemming met het in het POP neergelegde beleid heeft kunnen achten. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat de noodzaak voor een bedrijventerrein in de gemeente Westerveld aannemelijk is.

Verzoekers hebben naar het oordeel van de Voorzitter ter zake van de vermeende strijd met het POP en de noodzaak voor het bedrijventerrein geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn zich thans op een ander standpunt te stellen.

2.7. Ter waarborging van het kleinschalige karakter van het bedrijventerrein is in artikel 3, derde lid, onder a, sub 3, van de planvoorschriften bepaald dat de oppervlakte van een bouwperceel niet meer dan 2.000 m2 mag bedragen. Het bouwperceel mag voor maximaal 70 % worden bebouwd. Het college van burgemeester en wethouders kan ingevolge het bepaalde in artikel 3, vijfde lid, onder e, vrijstelling verlenen van de oppervlaktemaat tot een oppervlakte van 5.000 m2, mits de oppervlakte van gebouwen niet meer dan 3.000 m2 bedraagt.

Ingevolge artikel 3, derde lid, onder a, sub 4 en 5, bedragen de maximale goot- en bouwhoogte van gebouwen 4,5 en 9 meter binnen de gedeelten van het bouwvlak aangegeven met "zichtlocatie" en 5 en12 meter voor de gedeelten daarbuiten.

2.7.1. Het standpunt van verweerder dat de in artikel 3, derde lid, onder a, sub 3, opgenomen regeling, op basis waarvan een bouwperceel niet groter mag zijn dan 2.000 m2 en een bebouwingspercentage van 70 geldt, in overeenstemming is met de meergenoemde uitspraak van de Afdeling acht de Voorzitter niet onjuist. Ter zitting is door het gemeentebestuur voorts gesteld dat het uitgiftebeleid en de algemene verkoopvoorwaarden voor de verkoop van gronden op het bedrijventerrein zullen worden ingezet ter waarborging van het lokale karakter van het bedrijventerrein.

2.7.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 3 juni 1996, nr. H01.95.0265 (BR 1996, 897), heeft overwogen, wordt blijkens de wetsgeschiedenis met dit artikel beoogd het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken.

De in artikel 3, vijfde lid, onder e, opgenomen vrijstellingsbevoegdheid voorziet erin dat het college van burgemeester en wethouders na vrijstelling meer dan een verdubbeling van de toegestane oppervlakte van een bouwperceel kan toestaan. Naar het oordeel van de Voorzitter is een dergelijke vergroting mede in het licht van de waarborging van de kleinschaligheid te ingrijpend om door middel van een vrijstellingsbevoegdheid mogelijk te maken. Hij ziet hierin dan ook aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening zoals in het dictum van deze uitspraak is aangegeven.

2.7.3. De Voorzitter overweegt voorts dat de toegestane goot- en bouwhoogte van gebouwen tevens van belang zijn voor het waarborgen van het kleinschalige karakter van het bedrijventerrein. Het standpunt van verweerder dat een bouwhoogte van 9 meter geen afbreuk doet aan het kleinschalige karakter, acht de Voorzitter niet onredelijk. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is de Voorzitter er echter voorshands niet van overtuigd dat een bouwhoogte van 12 meter, die voor het overgrote deel van het bedrijventerrein geldt, geen afbreuk doet aan het kleinschalige karakter van het bedrijventerrein. Hij neemt daarbij onder meer in aanmerking, dat zoals ter zitting is gesteld, de omliggende bebouwing in het algemeen lager is dan 12 meter. De Voorzitter ziet hierin dan ook aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening zoals in het dictum van deze uitspraak is aangegeven.

2.8. De overige argumenten van verzoekers geven de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De Voorzitter overweegt daartoe dat de in het plan opgenomen bevoegdheid om vrijstelling te verlenen van de op de plankaart of in de voorschriften gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10 %, een gebruikelijke bepaling is. Voorts kunnen in een bestemmingsplan in beginsel geen voorschriften worden opgenomen ten aanzien van bouwstijl of materiaalgebruik. Het bestemmingsplan leent zich evenmin voor het opnemen van normen ten aanzien van geluid- en lichthinder. Verder heeft verweerder zich naar het oordeel van de Voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voorzover het de voorgestelde locaties voor dienstwoningen en de bouwrichting van bedrijfsgebouwen betreft, in verband met een optimaal gebruik van zonne-energie, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is.

2.9. Ten aanzien van [verzoeker sub 1] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Verweerder dient ten aanzien van de Vereniging Milieudefensie op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 12 augustus 2003, kenmerk 33/6.1/2003000558, voorzover hierbij goedkeuring is verleend aan

a. artikel 3, derde lid, onder a, sub 5b, voorzover hierin een grotere bouwhoogte dan 9 meter wordt mogelijk gemaakt;

b. artikel 3, vijfde lid, onder e;

II. wijst de verzoeken voor het overige af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Drenthe in de door verzoekster sub 2 in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 133,96; het bedrag dient door de provincie Drenthe te worden betaald aan verzoekster;

IV. gelast dat de provincie Drenthe aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00 voor verzoeker sub 1 en € 232,00 voor verzoekster sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Verbeek

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2003

388.