Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9768

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200304939/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 19 februari 2001, in zaak no. 200005080/1, heeft de Afdeling het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Zutphen ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200304939/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2001, in zaak no. 200005080/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 19 februari 2001, in zaak no. 200005080/1, heeft de Afdeling het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Zutphen ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 24 juli 2003, ingekomen bij de Raad van State op dezelfde dag, heeft verzoeker de Afdeling verzocht de uitspraak van 19 februari 2001 te herzien. De brief is aangehecht.

Bij brief van 15 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ruurlo (hierna: het college) van antwoord gediend.

Bij brief van 3 november 2003 heeft verzoeker nadere stukken ingediend. Deze zijn aan het college toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2003, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. H.H. van Steijn, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.S.W. Lucassen, advocaat te Zutphen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. De hierboven vermelde onder a, b en c in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb genoemde criteria zijn cumulatief van aard. Wil een verzoek om herziening voor toewijzing in aanmerking kunnen komen dient derhalve aan al deze drie criteria te worden voldaan.

2.3. Uit de eigen stellingen van verzoeker volgt dat dit hier niet het geval is. Verzoeker heeft immers slechts aangevoerd dat de mogelijkheden van artikel 8:88, eerste lid, onder b en c, van de Awb zich hier voordoen. Gesteld noch gebleken is dat ook aan het in dat artikel onder a genoemde criterium is voldaan, zodat het verzoek reeds op die grond niet voor toewijzing in aanmerking komt.

2.4. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

91-421.