Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9767

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200304741/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij een op 20 november 2002 verzonden besluit, kenmerk 10163 2002/10865, heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Trako B.V." een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden, verbonden aan de bij besluit van 21 juni 1993 verleende revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer voor de inrichting op het perceel Hazeldonkse Zandweg 26a te Zevenbergen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200304741/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij een op 20 november 2002 verzonden besluit, kenmerk 10163 2002/10865, heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Trako B.V." een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden, verbonden aan de bij besluit van 21 juni 1993 verleende revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer voor de inrichting op het perceel Hazeldonkse Zandweg 26a te Zevenbergen.

Bij een op 12 juni 2003 verzonden besluit, kenmerk 11941 U03/6918, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 18 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij een op 4 september 2003 verzonden brief heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. I.H. van Hoorn, advocaat te Den Haag, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. S. Hartog-Dahmeijer, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten, omwonenden, betogen dat verweerder niet heeft kunnen overgaan tot het gegrond verklaren van het door vergunninghoudster ingestelde bezwaar. Zij stellen dat de geluidvoorschriften van de vergunning moeten worden nageleefd. Daartoe voeren zij aan dat de milieuvergunning niet van rechtswege is vervallen, omdat het Besluit houtbewerkende bedrijven milieubeheer nimmer van toepassing is geweest op de inrichting. Evenmin is volgens appellanten het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer van toepassing. Verder voeren zij aan dat, ingeval het Besluit bouw- en houtbedrijven wel van toepassing is op de inrichting, verweerder had moeten nagaan of de voorschriften van dit Besluit werden nageleefd en of tot handhaving kon worden overgegaan.

2.1.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat per 1 mei 1994 het Besluit houtbewerkende bedrijven milieubeheer van toepassing was op de inrichting, zodat de milieuvergunning sindsdien van rechtswege is vervallen. Volgens verweerder was in de inrichting geen houtmotkachel aanwezig, vonden geen houtverduurzamingswerkzaamheden plaats door middel van spuiten en bedraagt de afstand tussen de opstallen en de dichtstbijzijnde woning van derden, zijnde de woning van appellanten, meer dan 25 meter, zodat de uitzonderingsbepalingen van dat Besluit niet van toepassing waren. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat met ingang van 1 december 2000 het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer van toepassing is op de inrichting, zodat de geluidvoorschriften van dit laatste Besluit moeten worden nageleefd. Omdat het primaire dwangsombesluit is gebaseerd op een onjuiste normstelling en handhaving van de geluidvoorschriften van de vergunning niet meer mogelijk is, is het bezwaar van vergunninghoudster gegrond verklaard, aldus verweerder. Volgens verweerder worden vanwege het in werking zijn van de inrichting de geluidnormen van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer overtreden, maar zal op een later tijdstip op grond van nieuwe geluidmetingen worden besloten of handhavend zal worden opgetreden. Hij stelt dat voor handhaving recentere metingen nodig zijn.

2.1.2. De Afdeling overweegt het volgende.

In artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. In het tweede lid is bepaald dat, voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan het bestreden besluit herroept en het voorzover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit neemt.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het door vergunninghoudster ingestelde bezwaar gegrond verklaard. Daarbij heeft hij echter niet tevens het primaire besluit expliciet herroepen. Verweerder heeft daardoor gehandeld in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.1.3. Wat betreft het op de inrichting toepasselijke regime overweegt de Afdeling het volgende.

Met ingang van 1 mei 1994 is het Besluit houtbewerkende bedrijven milieubeheer in werking getreden. Dit Besluit is vervallen op het moment van inwerkingtreding van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, zijnde 1 december 2000. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het Besluit houtbewerkende bedrijven milieubeheer van toepassing is geweest op de inrichting. Daartoe dient immers vast te staan dat de inrichting niet viel onder de uitzonderingsbepalingen van dit Besluit in de artikelen 1 en 2, waarbij bepalend is de situatie ter plaatse tussen 1 mei 1994 en 1 december 2000. Anders dan verweerder stelt, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden uitgesloten dat in de inrichting een houtmotverbrandingsinstallatie aanwezig was en/of dat in de inrichting houtverduurzamingswerkzaamheden plaatsvonden door middel van spuiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, sub B, onder 4o en 5o, van dit Besluit. Evenmin heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de afstand tussen de opstallen van de inrichting en de dichtstbijzijnde woning van derden meer bedraagt dan 25 meter als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van dit Besluit. Ook ter zitting heeft verweerder een en ander niet voldoende aangetoond. Derhalve kan niet worden vastgesteld of aan de op 21 juni 1993 voor de inrichting verleende revisievergunning geen betekenis meer toekomt door het van toepassing worden van het Besluit houtbewerkende bedrijven milieubeheer.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder evenmin voldoende aannemelijk kunnen maken dat het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer van toepassing is op de inrichting. Nu op grond van het voorgaande niet vast staat of aan de op 21 juni 1993 verleende revisievergunning geen betekenis meer toekomt, kan evenmin worden vastgesteld of op grond van het overgangsrecht van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, zoals dat is neergelegd in artikel 7 van dit Besluit, de geluidvoorschriften van de revisievergunning nog gelden als nadere eis tot 1 december 2003, dan wel dat de in voorschrift 1.1.1 van de bijlage van dit Besluit genoemde geluidgrenswaarden moeten worden nageleefd.

Het besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid en berust in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op een ondeugdelijke motivering.

2.2. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

2.3. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het op 12 juni 2003 verzonden besluit, kenmerk 11941 U03/6918, van het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Moerdijk te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Moerdijk aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. Ch.W. Mouton , Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Kuipers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

271-335.