Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9758

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200303935/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 mei 2002 heeft de burgemeester van Heerlen de aan appellant verleende vergunning voor het verstrekken van eetwaren en/of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse in de horeca-inrichting aan de [locatie] te [plaats] op grond van artikel 3.2.2.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Heerlen ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303935/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 29 april 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Heerlen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2002 heeft de burgemeester van Heerlen (hierna: de burgemeester) de aan appellant verleende vergunning voor het verstrekken van eetwaren en/of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse in de horeca-inrichting aan de [locatie] te [plaats] op grond van artikel 3.2.2.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Heerlen (hierna: de APV) ingetrokken.

Bij besluit van 10 juli 2002 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 april 2003, verzonden op 7 mei 2003, heeft de rechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 augustus 2003 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. drs. G.A.C. Beckers, advocaat te Stein, en de burgemeester, vertegenwoordigd door J.L.P. Heijboer, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.2.1.3 van de APV is het verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder vergunning van het bevoegd orgaan.

Ingevolge 3.2.2.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de APV trekt het bevoegd orgaan de vergunning in indien niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 3.2.2.3, sub i van de APV.

Ingevolge 3.2.2.3, aanhef en onder i, van de APV - voorzover thans van belang - weigert het bevoegd orgaan de vergunning indien door de leidinggevende en/of ondernemer niet wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, tweede lid, sub b, en derde lid van de Drank- en Horecawet (hierna: de wet) worden gesteld.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de wet mogen leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Ingevolge het derde lid van de wet worden bij algemene maatregel van bestuur naast de in het tweede lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan voormelde eis nader worden omschreven. Aan deze bepaling is uitvoering gegeven door het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (hierna: het Besluit).

Ingevolge artikel 5 van het Besluit is een leidinggevende binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende geweest van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, onder d, van de wet of die voor ten minste een maand is gesloten op grond van artikel 149 van de Gemeentewet vastgestelde verordening, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Ingevolge artikel 6 van het Besluit - voorzover thans van belang - geldt in afwijking van artikel 4, gedurende vijf jaren na inwerkingtreding van dit besluit, ten aanzien van een leidinggevende die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit vermeld staat op een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de wet, voor wat betreft veroordelingen die voor die datum zijn uitgesproken, artikel 4 van het Besluit eisen zedelijk gedrag

Drank- en Horecawet (hierna: het Besluit (oud)).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit (oud) mag een bedrijfsleider of beheerder niet in de omstandigheid verkeren dat te zijnen aanzien binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk zijn geworden twee of meer veroordelingen als in het tweede lid bedoeld.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit (oud) - voorzover thans van belang - heeft het eerste lid betrekking op veroordelingen, anders dan tot een geldboete van ƒ 1.000,- of minder voor wat de hoofdstraf betreft, wegens overtreding van bepalingen, gesteld bij of krachtens de Opiumwet.

2.2. De burgemeester heeft in de beslissing op bezwaar de aan appellant verleende vergunning ingetrokken op grond van artikel 3.2.2.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de APV nu appellant binnen de laatste vijf jaar drie keer is veroordeeld, welke veroordelingen inmiddels onherroepelijk zijn geworden, en omdat zijn coffeeshop aan de [locatie] te [plaats] in 1998 voor vier maanden gesloten is geweest.

2.3. Vaststaat dat appellant bij op 26 november 1997 onherroepelijk geworden vonnis van 11 november 1997 door de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Maastricht terzake van overtreding van de Opiumwet is veroordeeld tot een geldboete van ƒ 1500,- (€ 680,67), subsidiair 30 dagen hechtenis en een geldboete van ƒ 150,- (€ 68,07), subsidiair drie dagen hechtenis, en dat hij bij op 18 december 1999 onherroepelijk geworden vonnis van 3 december 1999 door dezelfde politierechter wederom terzake van overtredingen van de Opiumwet is veroordeeld tot onder meer twee maal een week hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

2.4. Anders dan appellant heeft betoogd, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat, nu appellant gelet op bovenstaande onherroepelijke veroordelingen niet voldeed aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit (oud), de burgemeester ingevolge artikel 3.2.2.2, aanhef en onder i, van de APV gehouden was de door appellant verzochte vergunning te weigeren, zoals hij heeft gedaan. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de op 28 mei 2000 en op 20 april 2001 aan appellant verleende vergunningen, gelet op de dwingend voorgeschreven APV bepalingen, weliswaar niet verleend hadden mogen worden, maar dat zulks niet impliceert dat de burgemeester dit niet kon herstellen door het intrekken van de ten onrechte verleende vergunning van appellant. Ook heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat gelet op het dwingende karakter van artikel 3.2.1.3 van de APV de burgemeester geen belangenafweging kon verrichten. De verwijzing van appellant naar de zaak [naam] kan niet leiden tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat geen sprake is van een gelijk of vergelijkbaar geval nu in die zaak een ander wettelijk kader van toepassing was.

2.5. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de sluiting van zijn coffeeshop in 1998 hem niet valt te verwijten nu hij zijn personeel had geïnstrueerd geen softdrugs aan minderjarigen te verkopen, faalt. Appellant is reeds bij brief van 2 december 1997 gewaarschuwd voor de gevolgen van de herhaalde verkoop van softdrugs aan minderjarigen. De verkoop is daarna doorgegaan waarop sluiting van zijn coffeeshop voor de duur van vier maanden heeft plaatsgevonden. Appellant heeft niet aangetoond dat hij andere maatregelen dan de instructie aan zijn personeel heeft genomen om te voorkomen dat de verkoop van softdrugs aan minderjarigen kon plaatsvinden. Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk dat appellant geen verwijt treft van de sluiting van zijn coffeeshop. Anders dan appellant heeft betoogd, volgt uit artikel 5 van het Besluit niet dat die bepaling slechts toepasselijk is indien wordt aangetoond dat hem de sluiting persoonlijk valt te verwijten. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

395.