Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9755

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200303735/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2002 heeft de gemeenteraad van Noordenveld, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 september 2002, het bestemmingplan “Westervelde” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303735/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting "Stichting Cavia", gevestigd te Utrecht,

2. [appellanten sub 2] gevestigd te [plaats], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2002 heeft de gemeenteraad van Noordenveld, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 september 2002, het bestemmingplan “Westervelde” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 15 april 2003, kenmerk 6.2/2002009489, beslist omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 9 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2003, en appellanten sub 2 (hierna: de vereniging en [naam]) bij brief van 20 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 augustus 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [naam] bestuurslid, en [naam] voorzitter, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door E. Saathof, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld, vertegenwoordigd door H. Westerhof, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft de gemeenteraad betoogd dat het beroep van de vereniging en [naam], voorzover dat betrekking heeft op de bestemmingsregeling voor gronden aan het Westeind en aan het westelijke deel van de Schoolstraat, in strijd met een goede procesorde is onderbouwd met argumenten betreffende cultuurhistorische waarden die zijn ontleend aan door [naam] ingediende bedenkingen. Daartoe voert hij aan dat [naam] zich, anders dan de vereniging, in de zienswijze niet heeft gekeerd tegen het aanwijzen van dit gedeelte van Westervelde als kerngebied en dat de daarop betrekking hebbende bedenkingen van [naam] buiten beschouwing dienden te worden gelaten.

2.1.1. Dit betoog faalt. De Afdeling begrijpt het beroep van appellanten aldus dat het in verband met het karakter van de gronden aan het Westeind en aan het westelijke deel van de Schoolstraat is gericht tegen de daaraan toegekende bestemmingen “Dorpsbebouwing” en “Dorpskarakteristiek”. Deze bestemmingen achten zij alleen geschikt voor gronden binnen een dorpskern, waarvan de gronden aan het Westeind en aan het westelijke gedeelte van de Schoolstraat naar hun mening geen onderdeel zijn. Zowel de vereniging als [naam] hebben zich met hun zienswijzen gekeerd tegen de voor het bedoelde gebied opgenomen plandelen met de bestemmingen “Dorpsbebouwing” en “Dorpskarakteristiek”. In dat kader hebben beide het karakter van dit gebied naar voren gebracht. Het gestelde in beroep moet gelet hierop worden beschouwd als een nadere argumentatie van bezwaren die door appellanten in de zienswijzen kenbaar zijn gemaakt.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het dorp Westervelde en is hoofdzakelijk conserverend van aard.

2.4. De Stichting Cavia stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Dorpsbebouwing”, voorzover toegekend aan het perceel [locatie]. Naar haar mening doet deze bestemming geen recht aan de bedrijfsmatige opvang van cavia’s die daar plaatsvindt. Volgens appellante ligt het voor de hand te voorzien in een bestemming waarin specifiek de mogelijkheid tot opvang van cavia’s is opgenomen.

2.4.1. Volgens de gemeenteraad kan de opvang van cavia’s, zoals toegestaan volgens de aan appellante verleende milieuvergunning, worden begrepen onder de aan het perceel toegekende woonbestemming. Hij acht dit gebruik van beperkte omvang en beschouwt het om deze reden niet als bedrijfsmatig.

2.4.2. Verweerder heeft dit plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de voor dit plandeel opgenomen bestemming de opvang van cavia’s toestaat, mits door deze activiteit geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Naar zijn mening voldoet opvang van cavia’s met een zodanige omvang dat deze als bedrijfsmatig moet worden aangemerkt niet aan deze voorwaarde. Volgens verweerder is de thans voorziene bestemming daarom terecht aan het perceel toegekend.

2.4.3. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ligt het perceel van appellante in een gebied dat hoofdzakelijk voor woongebruik is bestemd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het houden van cavia’s wegens mogelijke overlast voor de omgeving aan beperkingen onderhevig is. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het perceel van appellante ligt op een afstand van ongeveer 50 meter van de dichtstbijzijnde woning. Een door appellante gewenste bestemming die specifiek voorziet in het houden van cavia’s strijdt met deze beperking van het gebruik. In dit verband heeft verweerder zich, ter bepaling van de invloed die het houden van cavia’s op de omgeving heeft, in redelijkheid kunnen baseren op de vergunning die op 16 mei 2000 krachtens de Wet milieubeheer aan appellante is verleend. De toegekende bestemming staat niet in de weg aan opvang van cavia’s volgens deze vergunning.

2.4.4. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het door appellante bestreden onderdeel van het plan. Het beroep van de Stichting Cavia is ongegrond.

2.5. De vereniging en [naam] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover aan gronden aan het Westeind en aan het westelijke gedeelte van de Schoolstraat de bestemmingen “Dorpsbebouwing” en “Dorpskarakteristiek” zijn toegekend. Volgens hen wordt dit gebied daarmee aangewezen als kerngebied, hetgeen ten koste gaat van de openheid en de karakteristieke waarden van het gebied, alsmede van de flora en fauna. In dit verband voeren zij aan dat deze gronden liggen in de nabijheid van beschermde natuurgebieden. Daarnaast is de goedkeuring van het plan naar de mening van appellanten in strijd met het Provinciaal Omgevingplan Drenthe (hierna: het POP), omdat het bedoelde gebied volgens dat plan buiten de bebouwingscontour van Westervelde ligt.

2.5.1. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bebouwing aan het Westeind en aan het westelijke gedeelte van de Schoolstraat moet worden gerekend tot de kernbebouwing van Westervelde. Het POP behoeft op dit punt aanpassing, hetgeen tijdens de vaststelling daarvan in 1998 over het hoofd is gezien, aldus de gemeenteraad. Volgens de gemeenteraad doen de gekozen bestemmingen geen afbreuk aan de door de vereniging en [naam] naar voren gebrachte belangen bij bescherming van het bedoelde gebied.

2.5.2. Verweerder heeft dit plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij heeft zich met de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat de gronden aan het Westeind en aan de Schoolstraat moeten worden gerekend tot de kernbebouwing van Westervelde. Volgens verweerder laat het bestemmingsplan in het geheel geen nieuwbouwmogelijkheden toe. Hij is van mening dat, nu de bestaande situatie in het plan wordt vastgelegd, niet behoeft te worden gevreesd voor aantasting van de structuur, de hoofdvorm en de karakteristieke waarden van het door appellanten bedoelde gebied.

2.5.3. Niet in geding is dat de door appellanten bedoelde gronden aan het Westeind en het westelijke gedeelte van de Schoolstraat geen onderdeel uitmaken van het gebied dat volgens functiekaart 1 van het POP ligt binnen de bebouwingscontour van de kleine kern Westervelde. De bedoelde gronden liggen volgens deze kaart in een gebied dat is aangeduid als zone III of zone IV van het landelijk gebied.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn voor dit gebied de bestemmingen “Dorpsbebouwing” en “Dorpskarakteristiek” toegekend aan gronden waarop reeds bebouwing staat. Niet kan dan ook worden geoordeeld dat het plan voorziet in een uitbreiding van kernbebouwing die met het POP in strijd is.

In aanmerking genomen dat het plan op dit onderdeel voorziet in een bestemmingsregeling voor bestaande bebouwing en daarmee verband houdend gebruik, is de Afdeling van oordeel dat verweerder er in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat het plan niet zal afdoen aan de openheid van het gebied en dat het evenmin vergaande gevolgen heeft voor cultuurhistorische en natuurwaarden. Anders dan appellanten betogen is het verder niet aannemelijk dat het plan voorziet in een intensivering van het gebruik die van invloed is op de in het gebied aanwezige flora en fauna.

2.5.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op het door appellanten bestreden onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover door appellanten bestreden. Het beroep van de vereniging en [naam] is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003.

176-275.