Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9754

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200303558/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht geweigerd appellanten bouwvergunning te verlenen voor het vervangen van houten door aluminium kozijnen van het pand [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303558/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 22 april 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) geweigerd appellanten bouwvergunning te verlenen voor het vervangen van houten door aluminium kozijnen van het pand [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 12 maart 2002 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 april 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 30 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant van repliek gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en het college. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2003, waar [een der appellanten] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg, ing. A.H.M. Houben en ing. M.J.H. Ritzen, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten hebben bouwvergunning gevraagd voor uitgevoerde werkzaamheden aan hun woning [locatie] te [plaats], bestaande uit het vervangen van de houten kozijnen door aluminium kozijnen en het vernieuwen, eveneens in aluminium, van een uitbouw op de eerste verdieping.

2.2. Appellanten hebben zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat, gelet op het bepaalde in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet, zoals dit artikel luidde ten tijde van het nemen van het besluit van 12 maart 2002 (hierna: Ww), voor het uitvoeren van de onderhavige werkzaamheden geen bouwvergunning is vereist.

2.2.1. De rechtbank heeft bij beantwoording van deze vraag terecht verwezen naar vaste jurisprudentie van de Afdeling. Volgens die jurisprudentie moet de in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e, van de Ww (oud) gebezigde term ‘van niet-ingrijpende aard’ niet alleen in bouwkundige maar ook in stedenbouwkundige zin worden opgevat. Bij dat laatste aspect spelen zowel het planologische als het feitelijke effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft een rol.

2.2.2. In de stukken en ter zitting heeft het college toegelicht, dat de woning van appellanten onderdeel is van een markante, geheel gesloten en vlakke straatwand bestaande uit twaalf herenhuizen uit de periode van 1910–1915. De bouwstijl en het gevelbeeld van de afzonderlijke herenhuizen zijn in hun uiterlijke verschijningsvorm vrijwel identiek en vormen door de samenhang in architectuur een stedenbouwkundige eenheid. De panden onderscheiden zich in een verfijnde detaillering door de voor die periode kenmerkende aanwezigheid van fraai siermetselwerk, delicate ornamentering en een verfijnde uitvoering van kozijnen en houtwerk. Binnen het strakke gevelbeeld van de straatwand vormt de uitbouw aan het pand van appellanten een karakteristiek speels element. De gehele bebouwing is van een hoogwaardige architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit, doordat de samenhang en de detaillering intact zijn gebleven.

2.2.3. Appellanten hebben de houten kozijnen van alle ramen in de voorgevel en van de uitbouw van hun woning door aluminium kozijnen vervangen, de detaillering en profilering van de kozijnen gewijzigd en de indeling van de ramen ingrijpend veranderd. Voorts hebben appellanten de gemetselde onderzijde van de uitbouw aan het zicht onttrokken door het aanbrengen van een aluminium borstwering.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat door de aangebrachte veranderingen het aanzien van de voorgevel van het pand van appellanten en daarmee ook van de gehele gevelwand van de twaalf herenhuizen wezenlijk is veranderd, zodat niet kan worden gesproken van werkzaamheden van niet-ingrijpende aard. De Afdeling heeft zich daarbij mede gebaseerd op vergelijking van de ter zitting overgelegde foto, die, aldus appellanten, het aanzien van de gevel toont kort vóór de aangebrachte wijzigingen, met foto’s van het gewijzigde gevelbeeld. Dat voorgevels van enkele andere van de twaalf herenhuizen in de loop der jaren op kleine onderdelen zijn gewijzigd doet aan het vorenstaande niet af, nu het in die gevallen geen wezenlijke inbreuken op de oorspronkelijke bouwstijl betrof.

De rechtbank is dan ook tot het juiste oordeel gekomen dat de vervanging van de kozijnen, de wijziging van de indeling van de ramen en de veranderingen van de uitbouw vergunningplichtig zijn.

2.3. Appellanten hebben betoogd dat de twee welstandsadviezen die ter zake zijn uitgebracht niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen en motiveringsgebreken vertonen.

Blijkens deze welstandsadviezen zijn de door appellanten uitgevoerde werkzaamheden aan de gevel van hun woning in ernstige strijd met redelijke eisen van welstand. In de adviezen is geconcludeerd dat door de wijziging van de indelingen, materialisering en de vlakke detaillering een vergroving is ontstaan van de gave harmonieuze architectuur van het pand en daardoor ook van het totale gevelbeeld van de twaalf herenhuizen.

De Afdeling is van oordeel dat de welstandsadviezen naar hun inhoud en wijze van totstandkoming ervan niet zodanige gebreken vertonen dat het college deze niet aan het besluit tot weigering van de bouwvergunning ten grondslag had mogen leggen. In dat verband acht de Afdeling van belang dat de welstandscommissie haar negatieve adviezen niet alleen heeft gebaseerd op de dossierstukken, waaronder foto’s, maar ook op de bezichtiging van de gevel van de woning van appellanten, de gevels van de naastgelegen herenhuizen, alsook van nabij gelegen bebouwing.

Het betoog van appellanten dat de welstandscommissie niet consistent is in haar advisering nu de commissie in andere gevallen wèl positief over vervanging van houten in aluminium kozijnen heeft geadviseerd, faalt.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat geen van de door appellanten aangegeven panden qua specifieke ligging en inpassing in de bebouwde omgeving overeenstemt met het pand van appellanten en het totale gevelbeeld van de twaalf naast elkaar gelegen herenhuizen. Bovendien hebben de door appellanten bedoelde panden geen gevelbepalende uitbouw als het pand van appellanten.

Voorts hebben appellanten tegenover de welstandsadviezen geen rapport van een terzake deskundige gesteld.

Het college heeft de welstandsadviezen dan ook in beginsel kunnen overnemen.

2.4. Voorzover appellanten hebben betoogd dat het besluit van het college strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het vertrouwensbeginsel, wordt overwogen dat dit betoog reeds faalt, omdat toepassing van die beginselen niet tot het oordeel kan leiden dat het college gehouden was de vergunning in strijd met de wet te verlenen.

2.5. Eveneens faalt het betoog van appellanten dat bij het besluit tot weigering van de bouwvergunning ten onrechte geen rekening is gehouden met hun belang om de aangebrachte veranderingen in stand te laten. Voor een belangenafweging bestaat immers geen ruimte, omdat in artikel 44 van de Ww (oud) limitatief is opgesomd in welke gevallen de bouwvergunning moet worden geweigerd. Nu het college tot het standpunt is gekomen dat de door appellanten uitgevoerde werkzaamheden aan hun woning in strijd zijn met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Ww, (oud) kon het college, gelet op het bepaalde in artikel 44, onder d, van de Ww, (oud) niet anders dan de gevraagde bouwvergunning weigeren.

2.6. Hetgeen appellanten verder hebben aangevoerd biedt evenmin gezichtspunten voor een ander oordeel dan dat de gevraagde bouwvergunning terecht is geweigerd.

Ook de rechtbank is tot dat oordeel gekomen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

202.