Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9753

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200303526/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem appellante onder oplegging van een dwangsom gelast de volière in haar voortuin van het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303526/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 23 april 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast de volière in haar voortuin van het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen.

Bij besluit van 3 december 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2003, verzonden op 25 april 2003, heeft de rechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het bezwaar van appellante alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 26 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2003,

waar appellante in persoon en het college, vertegenwoordigd door

mr. M.S.M. Vringer, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht

(hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ontvangen indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2. Het college heeft appellante het besluit van 14 juni 2002 op diezelfde dag toegezonden. De laatste dag waarop tegen dit besluit bezwaar kon worden gemaakt, was derhalve 26 juli 2002.

Appellante heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat zij het bezwaarschrift, gedateerd 18 juli 2002, op 31 juli 2002 op het gemeentehuis heeft afgegeven.

Appellante heeft onder verwijzing naar artikel 6:9, tweede lid, van de Awb betoogd dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend nu dat binnen een week na afloop van de bezwaartermijn door de gemeente is ontvangen.

Dat betoog faalt. De Afdeling stelt vast dat het bezwaarschrift niet per post is verzonden. Reeds om deze reden kan van toepassing van het tweede lid van artikel 6:9 van de Awb geen sprake zijn. Blijkens de wetsgeschiedenis is de achtergrond van deze bepaling immers dat vertraging in de postbezorging niet onverkort voor risico van de indiener behoort te blijven.

De rechtbank is dan ook tot het juiste oordeel gekomen dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.

2.3. De Afdeling ziet evenmin grond voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank waar het betreft de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De door appellante aangevoerde omstandigheden, ziekte en overbelasting, zijn niet zodanig dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest.

2.4. Anders dan appellante heeft betoogd is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

202.