Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9748

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200303474/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede appellant onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] voor de uitoefening van detailhandel in dan wel de bedrijfsmatige verkoop van de daarbij genoemde goederen te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303474/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 17 april 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] voor de uitoefening van detailhandel in dan wel de bedrijfsmatige verkoop van de daarbij genoemde goederen te beëindigen.

Bij besluit van 2 augustus 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2003, verzonden op 18 april 2003, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.A. Wolleswinkel, advocaat te Barneveld, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Voncken, M. Meekes en G. Elbertsen, allen ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn op verzoek van appellant gehoord [partij sub 1], [partij sub 2], [partij sub 3], [partij sub 4], [partij sub 5] en [partij sub 6].

2. Overwegingen

2.1. Appellant betwist het oordeel van de rechtbank dat op de daarvoor van belang zijnde peildatum 8 februari 1995 op zijn perceel slechts sprake was van een beperkte handel in klein- en pluimvee, zelfgemaakte hokken en zelfgeteelde planten en groenten, zodat alleen die activiteiten zijn komen te vallen onder de werking van het overgangsrecht van het voor het perceel [locatie] geldende bestemmingsplan. Appellant meent dat de door de rechtbank daartoe in aanmerking genomen bewijsmiddelen niet tot die conclusie hebben kunnen leiden.

2.1.1. De rechtbank heeft terecht aan de zich bij stukken bevindende krantenadvertentie van 16 juli 1993 en de in 1994 gedrukte visitekaartjes niet de waarde toegekend die appellant daaraan gegeven wenst te zien. Dat de rechtbank, ondanks dat deze stukken uitsluitend de handel in klein- en pluimvee vermelden, niettemin met de mogelijkheid rekening had moeten houden dat deze opsomming niet limitatief was, valt – anders dan appellant heeft betoogd – niet in te zien. Aan deze stukken kon de rechtbank uitsluitend de betekenis toekennen die daaruit viel te lezen. Daaraan kan niet afdoen dat appellant uit een oogpunt van de daaraan verbonden kosten destijds geen uitgebreider assortiment op zijn visitekaartjes en in de krantenadvertenties zou hebben laten vermelden.

2.1.2. Appellant betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat uit de overgelegde verklaringen van klanten naar voren komt dat hij al vanaf 1991 een groter assortiment voert dan de rechtbank daaruit heeft afgeleid. De waardering die de rechtbank heeft gegeven aan de overgelegde verklaringen van klanten van appellant, inhoudende dat die betrekking hebben op klein- en pluimvee en zelfvervaardigde artikelen, komt de Afdeling niet onjuist voor. De ter zitting afgegeven verklaringen van klanten van appellant leiden de Afdeling niet tot een andere conclusie dan de rechtbank heeft getrokken. Ook die verklaringen hebben in hoofdzaak betrekking op de reeds genoemde artikelen en hebben de Afdeling er niet van kunnen overtuigen dat de daarnaast door appellant genoemde goederen op meer dan zeer incidentele basis te koop waren. In aanmerking genomen voorts dat eerst in 2000 een inschrijving van de ondernemen van appellant in het handelsregister heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat aannemelijk is dat in de loop van de jaren een intensivering heeft plaatsgevonden van het gebruik van het perceel en de opstallen van appellant voor handelsactiviteiten en dat ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing op bezwaar sprake was van een verkoop die uitstijgt boven hetgeen onder het overgangsrecht was te brengen. De rechtbank is op goede gronden tot de slotsom gekomen dat het college bevoegd was ter zake van het toegenomen gebruik handhavend op te treden.

2.2. Alleen in bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Een bijzondere omstandigheid kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering. Appellant betoogt in dit verband tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college te weinig onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden om zijn activiteiten te legaliseren. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat het college geen binnenplanse vrijstelling wenst te verlenen en dat een bestemmingsplanwijziging evenmin in de rede ligt.

2.3. De rechtbank is op grond van de resultaten van het door het college verrichte onderzoek naar de door appellant genoemde gevallen, die zijns inziens op één lijn zijn te stellen met de zijne en waartegen het college niet optreedt, tot de slotsom gekomen dat toereikend is gemotiveerd dat van gelijke gevallen geen sprake is. Appellant heeft in hoger beroep uitsluitend betoogd dat hij zich niet kan verenigen met dit oordeel van de rechtbank. Nu hij dit betoog niet heeft onderbouwd, kan dit reeds daarom niet slagen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

47.