Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9745

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200302833/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2003, kenmerk 7559/lllvmb/5, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de maatschap [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een pluimvee- en fruitteeltbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummer [-]. Dit besluit is op 20 maart 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302833/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Tholen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2003, kenmerk 7559/lllvmb/5, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de maatschap [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een pluimvee- en fruitteeltbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats],

sectie [-], nummer [-]. Dit besluit is op 20 maart 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 28 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 juni 2003.

Bij brief van 1 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2003, waar appellant in persoon en bijgestaan door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door G.J. Hertoogs-Van der Gouwe en C.J. Kleppe, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [naam], maat, in persoon en bijgestaan door [gemachtigden], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft appellant zijn beroepsgronden omtrent de richtlijn CPR 9-6 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke stoffen ingetrokken.

2.2. Appellant betoogt dat verweerder, nu het bestreden besluit onder meer is gebaseerd op een akoestisch rapport dat na publicatie van het ontwerpbesluit is aangepast, een nieuw ontwerpbesluit ter inzage had moeten leggen.

2.2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag na publicatie van het ontwerpbesluit niet is gewijzigd, in de inrichting geen wijzigingen zijn aangebracht en derhalve derden niet in hun belangen zijn geschaad.

2.2.2. Het systeem van de Wet milieubeheer brengt met zich dat het bevoegd gezag na het nemen van het ontwerpbesluit, onder meer naar aanleiding van daartegen ingebrachte bedenkingen, nader onderzoek kan doen op grond waarvan zij tot een andersluidend definitief oordeel komt.

De Afdeling stelt vast dat in het ontwerpbesluit het aspect geluid, mede aan de hand van een akoestisch rapport, door verweerder beoordeeld is. Blijkens de considerans bij het bestreden besluit is dit akoestisch rapport, naar aanleiding van door appellant bij dit aspect ingebrachte bedenkingen en ten behoeve van het bestreden besluit, verder gecompleteerd en aangepast. Verweerder heeft het aangepaste akoestisch rapport gelijktijdig met het bestreden besluit ter inzage gelegd. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van andere aanpassingen en wijzigingen die nopen tot het nemen van een nieuw ontwerpbesluit.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestond een nieuw ontwerpbesluit ter inzage te leggen. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellant stelt dat de geluidvoorschriften E.1. en E.2. niet toereikend zijn ter voorkoming van geluidoverlast. Daartoe voert hij onder meer aan dat, nu zonder de in voorschrift E.9. genoemde maatregelen en voorzieningen al aan de gestelde geluidnormen kan worden voldaan, strengere geluidgrenswaarden gesteld hadden moeten worden. Voorts voert hij aan dat in voorschrift E.2. ten onrechte geen norm is gesteld voor het piekgeluidniveau in de nachtperiode.

2.4.1. Ingevolge voorschrift E.1. mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, ter plaatse van de gevel van de woning [locatie] niet meer bedragen dan 38 dB(A), 31 dB(A) en

31 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift E.2. mag het maximale geluidniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, ter plaatse van de gevel van de woning [locatie], niet meer bedragen dan 66 dB(A) en 59 dB(A) voor respectievelijk de dag- en avondperiode.

2.4.2. Verweerder heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd.

In de Handreiking is bepaald dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld – zoals het geval is in de gemeente Tholen – bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen.

In de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een landelijke omgeving, waarvan in het onderhavige geval sprake is en welke kwalificatie van de omgeving door appellant niet is bestreden, gelden als richtwaarden voor het equivalente geluidniveau 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor bestaande inrichtingen beveelt de Handreiking aan om bij herziening van vergunningen de richtwaarden voor woonomgevingen opnieuw te toetsen. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid.

Voor het maximale geluidniveau geldt op grond van de Handreiking een voorkeursgrenswaarde van het equivalente geluidniveau vermeerderd met 10 dB(A) en zijn waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste aanvaardbaar.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, is door verweerder het referentieniveau van het omgevingsgeluid gemeten en als uitgangspunt genomen voor het stellen van de geluidgrenswaarden. De gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor de dag- en avondperiode blijven onder de toepasselijke richtwaarden. De gestelde waarde voor de nachtperiode ligt 1 dB(A) boven de richtwaarde voor een landelijke omgeving, maar 2 dB(A) onder het door verweerder gemeten referentieniveau in de nachtperiode, dat door appellant niet is bestreden.

De gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau voor de dag- en avondperiode blijven onder de op grond van de Handreiking ten hoogste aanvaardbare waarden.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder het, nu in de nachtperiode geen piekgeluiden worden veroorzaakt, niet nodig geacht hiervoor een norm te stellen. De stalventilatoren en de koelmachine veroorzaken volgens verweerder geen piekgeluiden en hebben alleen gevolgen voor het langtijdgemiddeld geluidniveau.

Blijkens de aanvraag, die gezien voorschrift A.1.1 deel uitmaakt van de vergunning, beslaan de werktijden van de inrichting van de inrichting de dag- en avondperiode. Alleen het laden en lossen van de kippen vindt één maal per 14 maanden ’s nachts plaats; het gaat daarbij om twee opeenvolgende dagen. Voor de maximale geluidbelasting van deze activiteit heeft verweerder in voorschrift E.7. wel een geluidgrenswaarde voor de nachtperiode gesteld. Het beroep van appellant richt zich niet op dit voorschrift. In voorschrift E.1. is voor de nachtperiode een norm gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het niet nodig is een norm voor het piekgeluidniveau voor de nachtperiode aan de vergunning te verbinden.

Alles in aanmerking genomen, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in de voorschriften E.1. en E.2. opgenomen geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen, dan wel voldoende te beperken. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Appellant betoogt dat onder normale bedrijfsomstandigheden al sprake is van overschrijding van de gestelde geluidnormen. Bovendien is geen rekening gehouden met bijzondere omstandigheden, zoals de verkoop van fruit in de inrichting, die zich ook bij een normale bedrijfsvoering kunnen en zullen voordoen, aldus appellant. Wat betreft de piekgeluidbelasting voert hij meer specifiek aan dat tabel III.2, getiteld “Berekeningen piekgeluidniveaus in dB(A)” uit het akoestisch rapport van 30 oktober 2002 niet overeenkomt met de gevonden waarden in bijlage 4 van dit rapport.

2.5.1. Verweerder is voor de beoordeling van de naleefbaarheid van de gestelde geluidgrenswaarden uitgegaan van het akoestisch rapport van

30 oktober 2002 en de aanvulling daarop van 23 januari 2003.

Wat betreft het door appellant opgemerkte verschil tussen

tabel III.2 en bijlage 4 bij dit rapport heeft verweerder in het verweerschrift overwogen dat inderdaad sprake is van een discrepantie. Op de zijgevel van de woning van appellant aan de [locatie] bedraagt de piekgeluidbelasting in de avondperiode geen 50,5 zoals in tabel III.2 is weergegeven, maar 58 dB(A) zoals in bijlage 4 staat. Deze discrepantie heeft echter geen gevolgen voor de naleefbaarheid van de gestelde geluidgrenswaarden, zoals appellant vreest, omdat het laatstgenoemde juiste geluidniveau lager is dan de in voorschrift E.2. gestelde piekgeluidgrenswaarde voor de avondperiode.

Eerst ter zitting heeft appellant betoogd dat het akoestisch rapport nog andere discrepanties bevat. Het aanvoeren hiervan in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellant deze mogelijke andere discrepanties niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Derhalve kan hetgeen appellant omtrent deze mogelijke andere discrepanties heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

De juistheid van het akoestisch rapport van 23 oktober 2002 en de aanvulling daarop wordt voor het overige door appellant niet betwist.

2.5.2. Blijkens het genoemde akoestisch rapport en het verhandelde ter zitting vindt de verkoop van eigen fruit plaats vanuit een tuinhuisje achter de eigen woning van vergunninghoudster en brengt deze activiteit circa 16 verkeersbewegingen in de dagperiode met zich, veroorzaakt door 8 aan- en afrijdende personenauto’s van klanten. In tabel II.1 van het rapport zijn deze verkeersbewegingen als relevante geluidbron vermeld en is er vanuit gegaan dat de personenauto’s met een snelheid van gemiddeld 10 kilometer per uur over de oprit van de inrichting rijden. Aldus is terdege met de verkoop van fruit in de inrichting, als activiteit die zich bij de normale bedrijfsvoering voordoet, rekening gehouden.

Uit het genoemde akoestisch rapport blijkt voorts dat wanneer de geadviseerde maatregelen en voorzieningen aan de koelmachine zijn getroffen, voldaan kan worden aan de in de voorschriften E.1. en E.2. gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het piekgeluidniveau. Nu aan het bestreden besluit ook voorschrift E.9. is verbonden, en vergunninghouder aldus gehouden is binnen 6 maanden na het van kracht worden van de vergunning deze maatregelen en voorzieningen te treffen, is er, mede gelet op hetgeen in het vorenstaande is overwogen omtrent de verkoop van fruit, geen grond voor het oordeel dat onder normale bedrijfsomstandigheden niet voldaan kan worden aan de in de voorschriften E.1. en E.2. gestelde geluidgrenswaarden.

Voorts stelt de Afdeling, gelet op de stukken, vast dat in de nachtperiode normaliter 1 maal per 14 maanden en bij hoge uitzondering maximaal 4 maal per jaar, pluimvee wordt geladen en gelost. Tijdens deze incidentele bedrijfssituaties kan niet worden voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden in de voorschriften E.1. en E.2. Verweerder heeft met het oog op deze incidentele bedrijfssituaties de voorschriften E.6. en E.7. aan de vergunning verbonden. Uit het genoemde akoestisch rapport en de aanvulling daarop blijkt dat aan de in deze voorschriften gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Aldus is terdege rekening gehouden met bijzondere omstandigheden. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich bijzondere omstandigheden, anders dan de genoemde incidentele bedrijfssituaties, kunnen voordoen, kan dit beroepsonderdeel niet slagen.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. De Vink

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

154-431.