Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200302751/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 21 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam geweigerd de door appellante gevraagde bouwvergunningen voor het bouwen van vijf bedrijfswoningen met bedrijfsgebouwen aan de [locatie] te [plaats] te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 48
Gst. 2004, 100 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302751/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 11 maart 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 21 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam (hierna: het college) geweigerd de door appellante gevraagde bouwvergunningen voor het bouwen van vijf bedrijfswoningen met bedrijfsgebouwen aan de [locatie] te [plaats] te verlenen.

Bij besluiten van 29 januari 2002 heeft het college de daartegen door appellante gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2003, verzonden op 20 maart 2003, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellante ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 28 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.A. Tiesing, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.H.J. Verhoeven, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De onderhavige bouwplannen zien op de bouw van vijf bedrijfswoningen met bedrijfsgebouwen ten behoeve van de vestiging van respectievelijk een kuipplanten- en vormbomenkwekerij, twee escargotskwekerijen, een spruitgroentenkwekerij en een kwekerij voor houtig klein fruit en vruchtensappen.

2.2. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet valt te verwachten dat daadwerkelijk sprake zal zijn van bedrijfsmatige agrarische activiteiten en dat het college terecht heeft geoordeeld dat de bouwplannen in strijd zijn met het bestemmingsplan.

2.2.1. Ingevolge het ter plaatse als bestemmingsplan geldende “Uitbreidingsplan in hoofdzaak van de gemeente Alphen-Riel” van 20 augustus 1959 rust op de betrokken percelen de bestemming “landelijk gebied III”.

Ingevolge artikel II, lid C, onder 1., in samenhang met lid B, van de planvoorschriften mogen op de gronden, bestemd tot Landelijk gebied III, worden opgericht: woningen en andere gebouwen, behorende bij en uitsluitend ten behoeve van een agrarisch bedrijf, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

a. de oppervlakte van het bouwperceel van een woning met bijbehorende bedrijfsgebouwen moet bedragen minstens 1 H.A.

b. de breedte van het bouwperceel van een woning moet bedragen: voor gronden gelegen langs een weg van provinciale betekenis, minstens 75 m; voor de overige gronden minstens 45 m.

c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet bedragen minstens 5 m.

d. tot het agrarisch bedrijf moet behoren een op het bouwperceel staande bedrijfsruimte met een inhoud van minstens 300 m3.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel mogen op de gronden, bestemd tot Landelijk gebied III, worden opgericht woningen en andere gebouwen, behorende bij een tuinbouwbedrijf of gemengd land- en tuinbouwbedrijf, mits voldaan wordt aan de volgende bepalingen:

a. de oppervlakte van het bouwperceel van een woning met bijbehorende bedrijfsgebouwen moet bedragen minstens 0,5 HA.

b. de breedte van het bouwperceel van de woning moet bedragen minstens 30 m.

c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet bedragen minstens 5 m.

d. tot het agrarisch bedrijf moet behoren een bedrijfsruimte met een inhoud van minstens 120 m3.

Ingevolge artikel I, onder 4., van de planvoorschriften wordt onder agrarisch bedrijf verstaan: een landbouw- en/of veeteeltbedrijf, tuinbouwbedrijf, gemengd land- en tuinbouwbedrijf of een kwekerij.

2.2.2. Daargelaten de vraag of de escargotskwekerijen als agrarische bedrijven dan wel als tuinbouw- of gemengd land- en tuinbouwbedrijven – hetgeen van betekenis is voor de minimale oppervlakte welke het daarbij behorende bouwperceel moet bedragen – moeten worden aangemerkt, overweegt de Afdeling dat bij de toetsing van de bouwplannen aan het bestemmingsplan niet slechts moet worden bezien of de bouwwerken overeenkomstig de bestemming van de percelen kunnen worden gebruikt, doch mede of deze ook met het oog op zodanig gebruik worden opgericht. Dit houdt in, dat de bouwplannen in strijd met de bestemming moeten worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat de bouwwerken uitsluitend of mede zullen worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

2.2.3. De bouwaanvragen zijn door appellante ingediend op een tijdstip dat de kavels nog niet waren verkocht aan toekomstige ondernemers. Ten tijde van het nemen van de besluiten op bezwaar was dit ook nog niet het geval. Vaststaat dat op deze kavels geen bestaande agrarische activiteiten worden uitgeoefend. Nu uit de planvoorschriften niet volgt dat geen bebouwing mag worden opgericht zolang niet daadwerkelijk een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend, is een aanzet tot het exploiteren van een agrarisch bedrijf voldoende om vergunning te verlenen. Voor de beantwoording van de vraag of een aanzet tot uitoefening van een agrarisch bedrijf aanwezig is, kan in gevallen als deze, naast de inkomsten die uit de agrarische activiteiten worden verkregen, ook gekeken worden naar het grondareaal, de intentie waarmee de agrarische activiteiten worden ondernomen, de tijd die hieraan wordt besteed en de al of niet agrarische herkomst van de betrokken ondernemer.

2.2.4. De rechtbank is ter zake op goede gronden tot de slotsom gekomen dat het college zich, in navolging van het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: de AAB) van 5 juli 2001, op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouwplannen in strijd zijn met het bestemmingsplan, omdat van een zodanige aanzet niet is gebleken, nu appellante ten tijde van het nemen van de bestreden beslissingen op bezwaar geen ondernemers als gegadigden had aangedragen die daadwerkelijk de intentie, de kunde en de financiële middelen hadden om de bij de aanvragen genoemde bedrijfsactiviteiten uit te oefenen. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat juist in deze gevallen waarin sprake is van relatief nieuwe, zeer specialistische bedrijfsvormen, de persoon van de ondernemer van groot belang is. Daaraan kan niet afdoen het betoog van appellante dat niet is aangetoond dat de overgelegde exploitatieprognoses niet aannemelijk zijn. In die prognoses is – zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen – geen rekening gehouden met de investering in bedrijfsmiddelen zoals de kosten van aankoop van de grond en de bouwwerken, zodat onvoldoende is onderbouwd dat de bedrijven winst zullen opleveren.

Verder heeft de rechtbank op goede grond overwogen dat het college betekenis mocht toekennen aan het feit dat in de vijf identieke bouwplannen, waarin iedere detaillering van de inrichting ontbreekt, geen aanwijzing kan worden gevonden dat er sprake is van vijf verschillende bedrijven.

2.3. Appellante betoogt, ten slotte, tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij tegenover het advies van de AAB geen tegenadvies van een deskundige heeft overgelegd. Op de door haar in dat verband genoemde rapporten van Buro [naam], opgesteld ten behoeve van de ingediende bouwaanvragen, is de AAB in zijn advisering gemotiveerd ingegaan, zodat deze rapporten niet als tegenadvies kunnen gelden, terwijl het later uitgevoerde haalbaarheidsonderzoek van [naam makelaar] Makelaardij uitsluitend betrekking had op het vinden van gegadigden voor de te verkopen percelen en derhalve evenmin kan gelden als een tegenadvies van een ter zake deskundige.

2.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

47-380.