Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200302673/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gennep de gemeente Gennep binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een kunstwerk op het perceel, kadastraal bekend gemeente Ottersum, sectie […] nummer […], plaatselijk bekend Schuttersplein, te Milsbeek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302673/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 maart 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Gennep.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gennep (hierna: het college) de gemeente Gennep binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een kunstwerk op het perceel, kadastraal bekend gemeente Ottersum, sectie […] nummer […], plaatselijk bekend Schuttersplein, te Milsbeek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 oktober 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 23 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. M.M.G.M. Richter, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Roermond, en het college, vertegenwoordigd door ing. E.J. Greving, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “kern Milsbeek” (hierna: het bestemmingsplan) van de gemeente Gennep bestemd voor “Verkeersdoeleinden”.

Ingevolge artikel 11 van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor wegen, straten, voetpad, rijwielpaden, pleinen en parkeergelegenheden volgens de daarvoor aangegeven wegprofielen met de daarbij behorende andere bouwwerken en andere werken.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder e, aanhef en ten derde, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het plan voor het bouwen van kleine, niet voor bewoning bestemde gebouwen en andere bouwwerken van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, wachthuisjes, telefooncellen, kabelkasten, muren, monumenten en verkeersgeleiders, met dien verstande dat bouwwerken - geen gebouwen zijnde - qua plaatsing en afmetingen in het plan passen.

2.2. Niet in geschil is dat het onderhavige kunstwerk niet strookt met het bestemmingsplan. Partijen verschillen slechts van mening over het antwoord op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat niet kan worden staande gehouden dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid als neergelegd in artikel 15, aanhef en onder e, van de planvoorschriften.

2.3. Anders dan appellanten menen, kan de locatie van de op het perceel aanwezige glasbakken in de onderhavige procedure geen rol spelen, nu deze procedure slechts ziet op de verlening van vrijstelling en bouwvergunning voor het plaatsen van een kunstwerk. Voorts is de bouwvergunning met betrekking tot de glasbakken reeds bij onherroepelijk besluit verleend.

2.4. Niet is gebleken dat het college zijn belangenafweging niet op een deugdelijke grondslag heeft gebaseerd.

Ter zitting is komen vast te staan dat om de tuin van appellanten een hekwerk met groenvoorziening is geplaatst van circa 1.75 meter. Het kunstwerk is 1.80 meter hoog en is doorzichtig en is geplaatst op een betonnen sokkel met een hoogte van circa 50 centimeter. Voorts is gebleken dat de afstand tussen de tuin van appellanten en het kunstwerk circa 10 meter bedraagt. Gelet hierop kan, anders dan appellanten betogen, niet worden staande gehouden dat sprake is van visuele hinder.

Het betoog van appellanten dat het kunstwerk door de jeugd zal worden gebruikt als hangplek, treft evenmin doel. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college genoegzaam heeft gemotiveerd dat dit risico klein is omdat het kunstwerk zich daartoe op zichzelf niet leent. Verder is gebleken dat het college voornemens is op te treden tegen eventuele hangjeugd bij het kunstwerk.

De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat het college afdoende heeft gemotiveerd dat de verkeersveiligheid door de plaatsing van het kunstwerk niet in het gedrang komt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet heeft mogen baseren op de verkeersveiligheidsrapportage van de afdeling Openbare Werken, sectie Verkeer, van de gemeente van 4 september 2002. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat voornoemde afdeling niet over de vereiste expertise beschikt, de rapportage op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen dan wel inhoudelijk niet concludent is. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling van appellanten dat door de plaatsing van het kunstwerk het uitzicht wordt ontnomen en dit de verkeersveiligheid nadelig beïnvloedt, is mitsdien onvoldoende.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Haan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

27-455.