Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200302529/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Wervershoof, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 oktober 2002, het bestemmingsplan "Zwaagdijk-Oost – Bedrijventerrein WFO/ABC" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302529/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Wervershoof, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 oktober 2002, het bestemmingsplan "Zwaagdijk-Oost – Bedrijventerrein WFO/ABC" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 maart 2003, kenmerk 2002-45866, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 23 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 mei 2003.

Bij brief van 11 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 september 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn aldaar namens de gemeenteraad E.C. van de Swaluw, wethouder, en mr. W. Smak, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. De begrenzing van het plangebied is aan de noordzijde afgestemd op de eigendomssituatie van de percelen aan de Zwaagdijk. In het oosten en het zuiden vormen de Markerwaardweg en de Westfrisiaweg de grens. Aan de westzijde grenst het plangebied aan open terrein, bestaande uit tuinbouwgronden. Het plan voorziet in een planologisch kader voor (de uitbreiding van) het bedrijventerrein WFO-ABC in Zwaagdijk-oost.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellante stelt eigenares en kooiker te zijn van een eendenkooi ten noorden van Zwaagdijk-oost. Zij voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover dit betreft de uitbreiding van het bedrijventerrein, gelegen binnen de afpalingskring van de eendenkooi. Daarbij is met haar belangen onvoldoende rekening gehouden. Verder stelt zij dat de gemeenteraad ten onrechte het bestaan van haar rechten terzake van de eendenkooi ontkent.

2.3.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het aan het kooirecht verbonden afpalingsrecht, gelet op de ruilverkaveling ter plaatse, niet meer van toepassing is op het gebied ten zuiden van de Zwaagdijk. Overigens acht hij het, gelet op de ligging van het bedrijventerrein, onwaarschijnlijk dat de exploitatie van de eendenkooi door de planontwikkeling wordt belemmerd.

2.3.2. Verweerder heeft bij het nemen van het bestreden besluit als vaststaand aangenomen dat het afpalingsrecht ter plaatse is gevestigd. Hij heeft geen reden gezien het plan voor zover een gedeelte daarvan is gelegen in de afpalingskring van de eendenkooi in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij heeft daarbij betrokken dat tussen appellante en belanghebbende derden een overeenkomst inzake een schadevergoedingsregeling is gesloten.

2.3.3. De Afdeling stelt voorop dat een bestemmingsplanprocedure zich er niet voor leent om bij recht vast te stellen of het afpalingsrecht, dat kan worden aangemerkt als een zogenoemd oud zakelijk recht, ter plaatse nog is gevestigd dan wel is vervallen. Desalniettemin behandelt zij het geding, zich onthoudende van enig eigen oordeel terzake, als ware het afpalingsrecht ter plaatse gevestigd.

Met het bestaan van het afpalingsrecht en de (civielrechtelijke) belangen die door dit recht worden vertegenwoordigd, dient in de bestemmingsplanprocedure rekening te worden gehouden. Dat in artikel 59, tweede lid, van de Flora- en faunawet een verbod is neergelegd op het zonder toestemming van de kooiker verrichten van handelingen binnen de afpalingskring van de eendenkooi waardoor eenden binnen de afpalingskring kunnen worden verontrust, betekent in dit verband niet dat aan het afpalingsrecht absolute werking toekomt. Mocht bij de uitvoering van het bestemmingsplan de strijdigheid met artikel 59 voornoemd niet zijn opgeheven, kan de burgerlijke rechter worden geadieerd om (de werking van) dit recht te beperken.

2.3.4. Verweerder en appellante gaan als straal van de afpalingskring uit van een lengte van 1.318 meter, gerekend vanuit het midden van de eendenkooi. De uitbreiding van het bedrijventerrein is op een afstand vanaf ongeveer 1.000 meter van de eendenkooi geprojecteerd en ligt aan de grens van en gedeeltelijk binnen de afpalingskring. De uitbreiding ligt voorts ten opzichte van de eendenkooi achter de ook in de afpalingskring gelegen lintbebouwing van Zwaagdijk-oost en ten westen van het veilingcomplex The Greenery. In zoverre wordt de rust in het gebied al in meer of mindere mate verstoord. De Afdeling acht aannemelijk dat de uitbreiding van het bedrijventerrein kan leiden tot een verdere verstoring van de rust in het gebied en dat hierdoor minder eenden zullen kunnen worden gevangen.

2.3.5. Tegenover het belang van appellante bij een ongestoorde exploitatie van haar eendenkooi heeft verweerder als de belangrijkste aanleiding voor de uitbreiding van het bedrijventerrein WFO-ABC gewezen op de aanhoudende behoefte aan (agrarisch georiënteerde) bedrijventerreinen in de gemeente en in de omliggende gemeenten. Door de ligging nabij provinciale en Rijkswegen wordt het terrein geschikt geacht voor deze uitbreiding. Het plangebied is voorts ingevolge het provinciaal streekplanbeleid aangewezen voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein.

2.3.6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder na afweging van alle belangen in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van de uitbreiding van het bedrijventerrein dan aan het belang van appellante bij het voorkomen van een verdere verstoring van de rust in het gebied. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat mede gelet op de gemaakte afspraken inzake schadevergoeding niet aannemelijk is gemaakt dat de vermindering in het aantal te vangen eenden dusdanig zal zijn dat de exploitatie van de eendenkooi daardoor in het geding komt, terwijl evenmin is gebleken dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar moet worden geacht.

2.3.7. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Veenman, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Veenman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

235-371.