Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9727

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200302198/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen het wijzigingsplan "Buitengebied 1984, wijziging pluimveehouderij Rijksstraatweg (Buurmalsen)" van 15 september 1999 ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 11
Wet op de Ruimtelijke Ordening 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/86 met annotatie van H.J. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302198/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen het wijzigingsplan "Buitengebied 1984, wijziging pluimveehouderij Rijksstraatweg (Buurmalsen)" van 15 september 1999 ingetrokken.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 28 januari 2003, nr. RE2002.108131, beslist over de goedkeuring van de intrekking van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 1 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 juni 2003 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door J. Strang, ambtenaar van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem,

zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van de intrekking van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het wijzigingsplan van 15 september 1999 was gebaseerd op artikel 7, zesde lid, sub a, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied 1984” en had betrekking op een wijziging van de bestemming “Agrarisch Gebied”. Het voorzag in een nieuw agrarisch bouwperceel ten behoeve van een vleeskuikenbedrijf aan de Rijksstraatweg te Buurmalsen.

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders dit wijzigingsplan ingetrokken omdat het vleeskuikenbedrijf niet is opgericht.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan dit besluit tot intrekking.

2.3. Appellant heeft bezwaar tegen deze onthouding van goedkeuring.

Hij voert hiertoe onder meer aan dat het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 11, zesde lid, van de WRO bevoegd is tot intrekking/herziening van het wijzigingsplan, nu de gewijzigde bestemming niet is verwerkelijkt.

2.4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de strekking van artikel 11, zesde lid, van de WRO niet zo ver gaat dat een onherroepelijk wijzigingsplan kan worden ingetrokken. Volgens verweerder is de bestemmingsplanprocedure de geëigende weg om het wijzigingsplan in te trekken.

2.5. Ingevolge artikel 11, zesde lid, van de WRO worden uitwerkingen en wijzigingen als in dit artikel bedoeld, geacht van het bestemmingsplan deel uit te maken, met dien verstande, dat zij, zolang en voor zover de bestemming nog niet is verwerkelijkt, kunnen worden herzien op dezelfde wijze, als waarop zij tot stand zijn gebracht.

Vast staat dat de bestemming waarin het wijzigingsplan van 15 september 1999 voorzag, niet is verwerkelijkt.

Anders dan voor de intrekking van een bestemmingsplan, waarvoor in artikel 35 van de WRO een regeling is opgenomen, voorziet de WRO niet expliciet in een regeling voor de intrekking van een wijzigingsplan. Het intrekken van een wijzigingsplan is in de WRO evenwel niet uitgesloten. Gelet hierop en gezien de in verhouding tot de regeling voor bestemmingsplannen beperkte regeling voor wijzigingsplannen in de WRO is de Afdeling van oordeel dat in artikel 11, zesde lid, van de WRO onder het herzien van een wijzigingsplan ook het intrekken van een wijzigingsplan moet worden begrepen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het intrekken van een wijzigingsplan als hier aan de orde niet onder artikel 11, zesde lid, van de WRO valt.

Als onomstreden staat vast dat het wijzigingsplan op dezelfde wijze is ingetrokken als waarop het tot stand is gebracht.

Gelet op het vorenstaande is het besluit tot intrekking van het wijzigingsplan niet genomen in strijd met artikel 11, zesde lid, van de WRO. Door niettemin om deze reden goedkeuring aan het plan te onthouden heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellant geen bespreking meer.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 28 januari 2003, nr. RE2002.108131;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellant in verband met de behandeling van zijn beroep gemaakt proceskosten tot een bedrag van € 42,87; dit bedrag dient door de provincie Gelderland aan appellant te worden betaald;

IV. gelast dat de provincie Gelderland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Bindels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

85-427.