Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9726

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200302058/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 mei 2001 heeft het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam "Instituut Zorgverzekering voor Ambtenaren Nederland" vastgesteld dat appellante een schadeloosstelling als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gemeenschappelijke regeling zorgverzekering ambtenaren Nederland is verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 185

Uitspraak

200302058/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het openbaar lichaam “Reinigingsdiensten Rd4”, gevestigd te Heerlen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 18 februari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam "Instituut Zorgverzekering voor Ambtenaren Nederland", gevestigd te Nieuwegein.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2001 heeft het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam "Instituut Zorgverzekering voor Ambtenaren Nederland" (hierna: het IZA) vastgesteld dat appellante een schadeloosstelling als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gemeenschappelijke regeling zorgverzekering ambtenaren Nederland (hierna: de IZA-regeling) is verschuldigd.

Bij besluit van 10 december 2001 heeft het IZA het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2003, verzonden op 20 februari 2003, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 juni 2003 heeft het IZA van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H.F.A. Bronneberg, advocaat te Geleen, en [naam], adjunct-directeur, en het IZA, vertegenwoordigd door mr. A.H.C. Jansen, advocaat te Nijmegen, en [naam], juridisch medewerker bij het IZA, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 39, vierde lid, van de IZA-regeling, voorzover hier van belang, kan het algemeen bestuur bij uittreding een schadeloosstelling vaststellen.

Ingevolge het vijfde lid van artikel 39 wordt de feitelijke hoogte van de in het vierde lid bedoelde schadeloosstelling in overleg tussen het algemeen bestuur en het desbetreffende bestuur vastgesteld. Daarbij kan, op verzoek van een der partijen, door beide partijen gezamenlijk een onafhankelijke deskundige worden aangewezen, wiens advies bindend is.

Ingevolge het zevende lid van dit artikel is het bepaalde in het vierde en vijfde lid voorts van toepassing in geval van een ingrijpende verandering binnen een lichaam of rechtspersoon welke tot gevolg heeft dat een deel van het personeel dan wel nieuw aan te stellen personeel bij een andere instelling verzekerd wordt. Het dagelijks bestuur oefent te dezen de bevoegdheid van het algemeen bestuur uit.

2.2. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat, nu een nieuwe medewerker door appellant sinds 1998 de keuze wordt gelaten ofwel als ambtenaar bij hem te worden aangesteld, ofwel een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst te sluiten met Rd4 Facilitair Bedrijf BV, sprake is van een ingrijpende verandering welke feitelijk tot gevolg heeft gehad dat nieuw aan te stellen personeel niet bij het IZA verzekerd wordt. Evenzeer op goede gronden heeft de rechtbank geoordeeld dat het dagelijks bestuur van het IZA met toepassing van artikel 39, vierde lid, voornoemd mocht vaststellen dat appellant een schadeloosstelling is verschuldigd. Het betoog van appellant dat hij het niet eens is met de overweging van de rechtbank dat Rd4 Kringloopbedrijf BV moet worden gezien als een nieuwe activiteit kan in hoger beroep niet aan de orde komen, nu dit betoog zich richt tegen een overweging die ten overvloede is gegeven en mitsdien partijen niet bindt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

66-55.