Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9722

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200302009/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Asten, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 juni 2002, het bestemmingsplan "Buitengebied Asten 1998, Herziening RBV" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302009/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats] (gemeente Asten),

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Asten, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 juni 2002, het bestemmingsplan "Buitengebied Asten 1998, Herziening RBV" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 januari 2003, kenmerk 849153, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 25 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 juni 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2003, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. F.C.J.M. Buuron, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Asten, vertegenwoordigd door M.H.P. van den Elsen, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan is een partiële herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied Gemeente Asten 1998” en heeft betrekking op 16 agrarische bedrijven die hebben deelgenomen aan de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken. Het plan voorziet in verkleining van de bouwvlakken van de genoemde bedrijven. Tevens zijn in het plan ambtshalve enkele wijzigingen opgenomen.

2.3. Appellant stelt dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voorzover het plan niet voorziet in een groter bouwvlak op zijn perceel ten behoeve van een parelhoenderij. Hij stelt daartoe dat er plannen bestaan voor het oprichten van een dergelijke pluimveehouderij en dat hij hiervoor reeds een milieuvergunning heeft.

De omvang van het bouwvlak is volgens appellant ten onrechte slechts gebaseerd op het overgebleven gedeelte van zijn varkenshouderij en houdt geen rekening met de op te richten parelhoenderij.

Hij stelt dat een groter bouwvlak niet in strijd is met het provinciale beleid, aangezien het bouwvlak op voldoende afstand van het nabijgelegen natuurgebied ligt en zijn gronden als duurzame locatie voor een intensieve veehouderij kunnen worden aangewezen.

2.4. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel in het streekplan in de “GHS-landbouw” ligt met de nadere aanduiding “leefgebied kwetsbare soorten”. Nu het perceel bovendien op ongeveer 500 meter afstand van het natuurgebied “De Groote Peel” ligt, acht hij het niet aannemelijk dat de locatie als duurzame locatie voor intensieve veehouderij zal worden aangeduid. Derhalve dient volgens de gemeenteraad de omvang van het bouwvlak te worden afgestemd op de resterende bedrijfsbebouwing voor de doorgaande bedrijfstak en dient deze niet mede te worden afgestemd op de nieuwe bedrijfstak.

2.5. Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan goedgekeurd. Hij acht het juist dat het bouwvlak in het plan slechts is afgestemd op de resterende bedrijfstak. Hij heeft daarbij betrokken dat de overstap van appellant naar een pluimveehouderijbedrijf een omschakeling naar een intensieve veehouderij binnen het agrarische bouwvlak is. Verweerder acht een dergelijke omschakeling in strijd met het provinciale beleid. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat de desbetreffende gronden in het streekplan zijn aangeduid als “GHS-landbouw” met de nadere aanduiding “leefgebied kwetsbare soorten (planten en plantengemeenschappen)”. Een gebied met een dergelijke aanduiding staat ook wanneer de gronden als duurzame locatie voor intensieve veehouderij zouden worden aangewezen, hetgeen verweerder niet aannemelijk acht, in de weg aan een omschakeling als bedoeld in het streekplan.

2.6. Appellant heeft deelgenomen aan de eerste tranche van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken. In het kader van deze Regeling is in 2001 zijn varkenshouderij beëindigd en zijn de opstallen ten behoeve van de varkenshouderij gesloopt. De omvang van het in het plan opgenomen bouwvlak is gebaseerd op de resterende bedrijfsbebouwing die op het perceel nog aanwezig is. Blijkens de stukken is appellant voornemens een parelhoenderij te exploiteren.

Uit plankaart 1 van het streekplan blijkt dat aan de desbetreffende gronden de aanduiding “GHS-landbouw” is toegekend en dat deze gronden deel uit maken van de Regionale Natuur- en Landschapseenheid.

Het provinciale beleid is er onder meer op gericht in een gebied met de aanduiding “GHS-landbouw” omschakeling binnen een agrarisch bouwvlak naar een intensieve veehouderij slechts toe te staan op een duurzame locatie voor intensieve veehouderij.

Dit beleid acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het bestaande bouwvlak niet is aangeduid als een duurzame locatie voor intensieve veehouderij. De toekenning van een groter bouwvlak, waardoor de exploitatie van een parelhoenderij mogelijk wordt, is dan ook in strijd met het bovengenoemde provinciale beleid. Het beroep van appellant geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan dit provinciale beleid heeft kunnen vasthouden. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwvlak van appellant slechts behoefde te worden afgestemd op het overgebleven gedeelte van de bestaande bedrijfstak. Daarbij merkt de Afdeling op dat het plan een wijzigingsbevoegdheid bevat die er toe strekt de uitoefening van een intensieve veehouderij mogelijk te maken, indien de locatie kan worden aangemerkt als duurzame locatie voor intensieve veehouderij en deze aantoonbaar niet strijdig is met, dan wel past in de beoogde integrale gebiedszonering ingevolge de Reconstructiewet en het Revitaliseringsproject Landelijk gebied van de provincie Noord-Brabant.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

270-425.