Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9720

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200302004/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Losser, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 mei 2002, het bestemmingsplan "De Lutte-Dorp, partiële herziening [locatie] vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2003/928

Uitspraak

200302004/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel ,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Losser, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 mei 2002, het bestemmingsplan "De Lutte-Dorp, partiële herziening [locatie] vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 december 2002, kenmerk RWB/2002/1464, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 25 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 april 2003.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2003, waar appellant, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde],en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A. van Maurik, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad van Losser, vertegenwoordigd door H.A.M. Plegt, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door mr. W.B. Brusse, advocaat te Almelo.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het plan wordt beoogd de bestemming voor het perceel aan de [locatie] aan te passen teneinde de vestiging van een paramedische praktijkruimte met dienstwoning mogelijk te maken.

2.3. Verweerder acht het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening, voorzover het voorziet in de mogelijkheid ter plaatse een dienstwoning te bouwen, en heeft om die reden goedkeuring onthouden aan artikel 3, lid B, onder 2, van de planvoorschriften. Hij stelt zich op het standpunt dat de horecabedrijven in de directe omgeving van het plangebied met de bouw van een woning aldaar, niet meer kunnen voldoen aan de normen opgenomen in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Verweerder is van mening dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan aan de belangen van deze horecabedrijven onvoldoende gewicht heeft toegekend.

2.4. Appellant heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan dit gedeelte van het plan. Hij stelt dat de belangen van de horecabedrijven in de directe omgeving van het plangebied niet verder worden beperkt dan op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan het geval is. Verweerder heeft voorts naar zijn stelling te weinig gewicht toegekend aan zijn belang bij de bouw van een dienstwoning ter plaatse, mede gezien in het licht van de door hem reeds gedane investeringen.

2.5. Artikel 3, lid B, onder 2, van de planvoorschriften voorziet in de mogelijkheid ter plaatse een dienstwoning te bouwen. Het voor dit perceel voorheen geldende bestemmingsplan “De Lutte Dorp”, dat dateert van 1975, voorzag ook in de mogelijkheid tot het bouwen van een dienstwoning. Ter zitting is echter komen vast te staan dat het, gelet op een eerdere procedure bij de rechtbank, niet mogelijk was op basis van dat plan een dienstwoning bij een paramedische praktijkruimte te bouwen. Verweerder stelt derhalve terecht dat zich thans, met de vaststelling van de partiële herziening, een nieuwe planologische situatie voordoet. Hij heeft bij de afweging van de betrokken belangen in deze nieuwe situatie terecht de bestaande belangen van de horecabedrijven aan de [locatie sub 1 en sub 2] meegewogen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de percelen van die bedrijven niet in de planherziening zijn betrokken en dat de vestiging van die bedrijven past binnen het voor die percelen nog geldende bestemmingsplan “De Lutte Dorp”.

2.5.1. Uit de stukken blijkt dat een akoestisch onderzoek is uitgevoerd. Blijkens dit onderzoek kunnen de horecabedrijven aan de [locatie sub 1 en sub 2], door de bouw van een dienstwoning ter plaatse niet meer voldoen aan de voorschriften ten aanzien van geluid, zoals opgenomen in de bijlage van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Deze voorschriften zullen ter plaatse van de voorziene dienstwoning in de nachtperiode met 19 dB(A) worden overschreden. Niet is gesteld noch is de Afdeling gebleken dat in het onderzoek onjuiste uitgangspunten worden gehanteerd of dat de uitkomsten van het onderzoek onjuist zijn.

2.6. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Nolles

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

291-445.