Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9717

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200301700/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2002 heeft de gemeenteraad van Boxtel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 juni 2002, het bestemmingsplan "Munsel-Selissen, tweede partiële herziening" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301700/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2002 heeft de gemeenteraad van Boxtel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 juni 2002, het bestemmingsplan "Munsel-Selissen, tweede partiële herziening" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 februari 2003, no. 848530, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 16 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2003, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.C. Toenbreker, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Boxtel, vertegenwoordigd door R.H.E. Poort, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het plan wordt beoogd de bouw van acht vrijstaande woningen mogelijk te maken op gronden ten oosten van de bebouwde kom van Boxtel, in de woonwijk Munsel.

2.3. Appellant heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Hij vreest als gevolg van het plan een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Voorts stelt hij dat zowel de gemeenteraad als verweerder de belangenafweging, die aan hun besluiten ten grondslag ligt, ondeugdelijk hebben gemotiveerd.

2.4. De gemeenteraad heeft de gronden bestemd voor woondoeleinden om te kunnen voorzien in de behoefte aan vrijstaande eengezinswoningen. Hij is van mening dat zich, als gevolg van het plan, geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat op het perceel van appellant zal voordoen. Gelet hierop dient aan het algemeen belang bij de bouw van de woningen groter gewicht te worden toegekend dan aan de individuele belangen van appellant, aldus de gemeenteraad.

2.5. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening en heeft het plan goedgekeurd. Verweerder onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.6. Gebleken is dat in de gemeente Boxtel een belang bestaat bij bouwgrond voor vrijstaande woningen en dat binnen de gemeente thans alleen deze acht kavels beschikbaar zijn.

Het plangebied ligt recht tegenover de woning van appellant. De afstand van die woning tot de voorgevelbouwgrens van de dichtstbijzijnde, overeenkomstig het plan, te bouwen woning zal ongeveer 19 meter bedragen. Tussen de woning van appellant en deze woning ligt een weg. Aan de overige gronden tussen de in het plan voorziene vrijstaande woningen en de woning van appellant zijn de bestemmingen “Verblijfsdoeleinden” en “Tuin of onbebouwd erf” toegekend. Het plangebied ligt in een omgeving met een stedelijk karakter. Gelet op deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de aantasting van het uitzicht van appellant zodanig zal zijn dat verweerder hieraan overwegende betekenis had moeten toekennen.

De Afdeling is voorts niet gebleken dat het ter plaatse aanwezige groen, dat als gevolg van het plan zal moeten wijken, van bijzondere waarde is.

Verweerder heeft er verder vanuit kunnen gaan dat de toeneming van de verkeersbelasting ten gevolge van de bouw van de acht woningen, in verhouding tot de reeds bestaande verkeersbelasting, gering zal zijn. Tevens acht de Afdeling het standpunt van verweerder, dat het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen, niet onredelijk. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat bij iedere, als gevolg van het plan te bouwen, woning is voorzien in de mogelijkheid tot parkeren op het eigen perceel. Daarnaast wordt getracht zoveel mogelijk parkeerplaatsen in het openbaar gebied toe te voegen.

Gelet op hetgeen de Afdeling hiervoor heeft overwogen heeft verweerder bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met de bouw van acht vrijstaande woningen in het plangebied dan aan de daaruit voor appellant voortvloeiende bezwaren. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zijn belangenafweging ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

2.7. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Nolles

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

291-445.