Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9716

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200301238/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2000 heeft verweerster geweigerd de uitkeringskosten die voortvloeien uit de met een ontslag gelijk te stellen beëindiging van een tijdelijk dienstverband door appellante van elf personeelsleden voor haar rekening te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301238/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Regionaal Pedagogisch Centrum Zeeland", gevestigd te Middelburg,

appellante,

en

de stichting "Stichting Participatiefonds voor het onderwijs",

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2000 heeft verweerster geweigerd de uitkeringskosten die voortvloeien uit de met een ontslag gelijk te stellen beëindiging van een tijdelijk dienstverband door appellante van elf personeelsleden voor haar rekening te nemen.

Bij besluit van 15 januari 2003, verzonden op diezelfde dag, heeft verweerster het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 25 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 april 2003.

Bij brief van 18 juni 2003 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en senior juridisch adviseur van de stichting "Landelijke Stichting voor Dienstverlening aan Onderwijs en Vorming", [naam], adjunct directeur en [naam], teamleider voor Stap-projecten, en verweerster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel B5, tweede lid, onder b, van de Wet van 15 mei 1997 tot wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs inzake schoolbegeleiding (regeling schoolbegeleiding), Stb. 252, dient een schoolbegeleidingsdienst aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) op diens verzoek de kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden te voldoen, voorzover het betreft uitkeringen die zijn ontstaan na 31 december 1997, indien de rechtspersoon, bedoeld in de artikelen 114b van de Wet op het basisonderwijs (hierna: de WBO) en 110b van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (hierna: de ISOVSO), op een daartoe strekkend verzoek van het bestuur van de schoolbegeleidingsdienst, voorafgaand aan het ontslag niet heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van de kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden.

2.1.2. Ingevolge artikel 114b, eerste lid, van de WBO, thans: artikel 184, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO), onderscheidenlijk artikel 110b, eerste lid, van de ISOVSO, thans: artikel 170, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: de WEC), - voorzover thans van belang - is het bestuur aangesloten bij een door de minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel.

2.1.3. Ingevolge artikel 114b, vierde lid, van de WBO (artikel 184, vierde lid, van de WPO) onderscheidenlijk artikel 110b, vierde lid, van de ISOVSO (artikel 170, vierde lid, van de WEC) - voorzover thans van belang - stelt de rechtspersoon regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bestuur.

2.1.4. De in de artikelen 114b van de WBO (184 van de WPO) en 110b van de ISOVSO (170 van de WEC) bedoelde rechtspersoon is de Stichting Participatiefonds voor het onderwijs, verweerster. Zij heeft voor het schooljaar 1999-2000 het “Reglement Participatiefonds voor de schoolbegeleidingsdiensten en de SLOA-instellingen voor het schooljaar 1999-2000” (hierna: het reglement) opgesteld, dat in werking is getreden op 1 februari 1999 en betrekking heeft op ontslagen die zijn of worden geëffectueerd per of na 1 augustus 1999.

Ingevolge artikel 6.1 van het reglement - voorzover thans van belang - wordt een vergoedingsverzoek slechts toegewezen indien het ontslag is verleend met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 7 tot en met 10.

Ingevolge artikel 6.3 van het reglement wordt een vergoedingsverzoek tevens afgewezen indien het ontslag het gevolg is van eigen beleid van het bevoegd gezag.

Ingevolge artikel 8.1 van het reglement kan opheffing van de betrekking omdat het anders onmogelijk wordt de verlangde taken uit te voeren, een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek.

Ingevolge artikel 8.2 van het reglement doet de in het eerste lid bedoelde grond voor toewijzing zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat zonder het ontslag de verlangde taken niet kunnen worden uitgevoerd en dit niet veroorzaakt wordt door beleid dat door het bevoegd gezag zelf is gevoerd.

Ingevolge artikel 26 van het reglement is aan het reglement een toelichting toegevoegd die deel uitmaakt van het reglement. Volgens de toelichting op artikel 8 wordt ter beoordeling van een ontslag als gevolg van de beëindiging van een project naast de in artikel 8 genoemde voorwaarden tevens betrokken de redelijkheid en billijkheid van het opstarten en vervolgens het beëindigen van het project. Hiertoe wordt het bestuur door het bevoegd gezag onderbouwd geïnformeerd over:

a. de beweegredenen om het project te starten;

b. de redenen die ten grondslag liggen aan het beëindigen van het project;

c. de redenen die ten grondslag liggen aan het ontslag.

2.2. Vast staat dat de projecten een looptijd hebben van een of twee jaar. De elf voormalige personeelsleden verrichtten werkzaamheden in het kader van door verschillende Zeeuwse gemeenten gefinancierde, maar door appellante uitgevoerde projecten voor met name allochtonen. De elf projectmedewerksters verrichtten uitvoerende taken binnen de verschillende projecten. Zij hadden een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met appellante met een duur van acht maanden. Deze arbeidsovereenkomsten liepen van 1 oktober 1999 tot 1 juni 2000.

2.2.1. Verweerster heeft appellante in bezwaar alsnog in de gelegenheid gesteld haar verzoek te onderbouwen. De aanvullingen die appellante vervolgens heeft ingezonden, hebben verweerster er niet toe gebracht om het verzoek bij de beslissing op bezwaar alsnog in te willigen. Omdat de projectmedewerksters geen van allen tot de einddatum van het project zijn aangesteld geweest, betekent dit volgens verweerster dat beëindiging van het project niet ten grondslag kan liggen aan de ontslagen, zodat daarmee niet is gebleken van de redenen die ten grondslag liggen aan het ontslag als bedoeld in de toelichting op artikel 8 voormeld. Hiervan is volgens verweerster sprake als bepaalde taken waarvoor iemand is aangesteld, zijn afgerond en komen te vervallen.

2.2.2. De Afdeling overweegt het volgende.

Gebleken is dat appellante, naar aanleiding van de door verweerster geboden gelegenheid haar bezwaar te onderbouwen een brief van de gemeente Middelburg, verzonden op 24 januari 2002, heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat het ontslag van de projectmedewerksters niet het gevolg is van eigen bestuursbeleid, maar is gekoppeld aan de afloop van het project waarvoor zij voor bepaalde tijd zijn benoemd.

Deze brief vermeldt dat de maatregelen in het kader van de opvoedingsondersteuning deel uitmaken van het totale gemeentelijke beleid, waarvoor vanuit de gemeentebegroting financiële middelen ter beschikking worden gesteld, dat de opstapcursussen bekostigd zijn met incidentele middelen, dat als gevolg hiervan uiterst terughoudend moet worden begroot, dat geen garanties kunnen worden gegeven met betrekking tot de continuïteit, dat de omvang van de ter beschikking te stellen middelen uiteindelijk door de gemeente zelf op basis van een inhoudelijke afweging wordt bepaald en dat in de sfeer van de personele kosten geen vergoeding wordt opgenomen van de volledige kosten van projectmedewerkers, indien deze slechts voor een bepaald gedeelte van het jaar hun werkzaamheden kunnen uitvoeren.

2.2.3. Naar het oordeel van de Afdeling had het, gezien deze brief van de gemeente Middelburg, op de weg van verweerster gelegen om naar informatie omtrent het door de andere gemeenten ter zake gevoerde beleid te vragen. De inhoud van deze brief vormt immers een ondersteuning van het betoog van appellante in de bezwaarfase, dat de gemeenten aan haar de dwingende bepaling opleggen bij de subsidieverstrekking dat het project op 1 juni dient te worden gestopt en dat de projectmedewerkers op dat moment dienen te worden ontslagen. Door na te laten de gegrondheid van dit betoog nader te onderzoeken en in plaats daarvan te volstaan met de niet onderbouwde conclusie, dat de ontslagen een gevolg zijn van het beleid van appellante en dat zij niet heeft aangetoond dat het ontslag als onvermijdbaar kan worden aangemerkt op grond van artikel 8 van het reglement, heeft verweerster het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

2.2.4. Het in het besluit van 15 januari 2003 aan appellante gemaakte verwijt dat zij de betrokken projectmedewerksters in de tussenliggende periode tussen juni en oktober niet had hoeven ontslaan als zij de salariëring op een andere manier had geregeld, bijvoorbeeld door gespreide betaling van de salarissen van de projectmedewerksters over twaalf maanden, is evenmin houdbaar. Ter zitting is namens appellante onweersproken gesteld dat indien dit wel zou gebeuren, het inkomen van de projectmedewerksters onder het minimumloon zou komen.

2.3. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.4. Verweerster dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt het besluit van de stichting "Stichting Participatiefonds voor het onderwijs" van 15 januari 2003, BZWP1023/1254;

II. veroordeelt de stichting "Stichting Participatiefonds voor het onderwijs" in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 678,05, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de stichting “Stichting Participatiefonds voor het onderwijs” te worden betaald aan appellante;

III. gelast dat de stichting “Stichting Participatiefonds voor het onderwijs” aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

195-209.