Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9706

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200300609/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Drimmelen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 juni 2002, het bestemmingsplan "Kom Drimmelen, wijziging Amalia van Solmsstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300609/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Drimmelen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 juni 2002, het bestemmingsplan "Kom Drimmelen, wijziging Amalia van Solmsstraat" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 december 2002, no. 849987, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2003, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door H.J.F.M. Verputten, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Drimmelen, vertegenwoordigd door mr. J.M. van Gorp, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het plan wordt beoogd de bouw van vijf woningen mogelijk te maken op de gronden waar voorheen basisschool ’t Klaverblad was gevestigd.

2.3. Appellant stelt dat hij als omwonende ten onrechte niet persoonlijk in kennis is gesteld van de plannen voor het perceel aan de Amalia van Solmsstraat.

2.3.1. De Afdeling stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de bekendmaking van de terinzagelegging. In de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp voor een bestemmingsplan ofwel een vastgesteld bestemmingsplan. Verweerder heeft de gevolgen van de omstandigheid dat appellant, naar hij stelt, niet op de hoogte was van het verloop van de procedure, dan ook voor zijn rekening kunnen laten.

2.4. Appellant heeft tevens gesteld dat het voorontwerp van het plan niet ter inzage heeft gelegen.

2.4.1. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting heeft appellant het voorontwerp van het plan ten tijde van de terinzagelegging daarvan desgevraagd kunnen inzien. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat appellant door de gang van zaken tijdens de terinzagelegging van het voorontwerp van het plan in zijn belang is geschaad.

2.5. Appellant heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop verweerder de ingediende bedenkingen heeft behandeld.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat verweerder de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een bedenking afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.6. Voor zover appellant bezwaren heeft met betrekking tot de procedure voor de sloopwerkzaamheden op het voormalige schoolterrein, overweegt de Afdeling dat dit in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.7. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Hij voert aan dat de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan “Kom Drimmelen” ten onrechte van toepassing zijn verklaard, hetgeen hem in zijn beroepsmogelijkheden beperkt. Bovendien bieden deze voorschriften onvoldoende rechtszekerheid en zijn zij te ruim. Voorts is appellant bevreesd voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij stelt tevens dat mogelijke problemen omtrent de afwatering niet of onvoldoende zijn meegewogen. Ook voert appellant aan dat geen noodzaak bestaat voor de bouw van woningen. Hij voert tenslotte aan dat hij schade lijdt als gevolg van het plan.

2.7.1. De gemeente is van mening dat de bouwvoorschriften gebruikelijk zijn voor normale eengezinswoningen. In dit geval bestaat er geen aanleiding om te kiezen voor afwijkende hoogtematen, zeker nu in het plan is voorzien in een minder intensieve bebouwing dan oorspronkelijk de bedoeling was, aldus de gemeenteraad.

2.7.2. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd. Verweerder is van mening dat het plan in een stedenbouwkundig aanvaardbare invulling van het plangebied voorziet. Hij stelt voorts dat de bouwvoorschriften met betrekking tot de maximale goothoogte en de dakhelling niet afwijken van de voor de thans aanwezige gebouwen geldende bouwvoorschriften. De bouwvoorschriften zijn volstrekt duidelijk en niet in strijd met de rechtszekerheid, aldus verweerder. Verder meent verweerder dat het woon- en leefklimaat van appellant niet onaanvaardbaar zal worden aangetast als gevolg van het plan.

2.7.3. Het plangebied ligt op de hoek van de Amalia van Solmsstraat en de Stationsweg, aan de rand van de bebouwde kom. Ten oosten van het plangebied staat een rij woningen en ten zuiden ligt het perceel van appellant. De woning van appellant is gericht op de Stationsweg. Aan de gronden is de bestemming “Woondoeleinden” toegekend.

In artikel 1 van de planvoorschriften zijn de voorschriften van het bestemmingsplan “Kom Drimmelen” (verder te noemen: bestemmingsplan) van toepassing verklaard. In artikel 7, onder c, van de voorschriften van dit bestemmingsplan, zijn bouwvoorschriften opgenomen met betrekking tot de bestemming “Woondoeleinden”. In artikel 2 van de planvoorschriften zijn voorts enkele wijzigingen van laatstgenoemde voorschriften opgenomen. Ingevolge artikel 2, lid B, onder a, van de planvoorschriften, mogen gebouwen niet worden gebouwd aan de wegzijde van de bouwgrens. Ingevolge artikel 2, lid B, onder b, van de planvoorschriften, dient het hoofdgebouw binnen een afstand van twaalf meter tot die bouwgrens te worden gebouwd. Ingevolge artikel 2, lid B, onder c, van de planvoorschriften, mag de bebouwing van een bouwperceel niet meer bedragen dan 75 m². Ingevolge artikel 2, lid B, onder f, van de planvoorschriften, bedraagt de goothoogte van het hoofdgebouw maximaal 6 meter. Ingevolge artikel 2, lid B, onder g, van de planvoorschriften, dienen de hoofdgebouwen met een kap te zijn afgedekt, waarvan de dakhelling minimaal 30 graden en maximaal 45 graden bedraagt.

De Afdeling overweegt dat appellant niet in zijn beroepsmogelijkheden is beperkt, doordat in het plan de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan van toepassing zijn verklaard. Deze voorschriften maken voorzover zij betrekking hebben op het plangebied deel uit van het nu aan de orde zijnde plan en staan in zoverre in volle omvang ter toets.

Gezien voornoemde bouwvoorschriften overweegt de Afdeling dat deze voldoende duidelijk zijn en niet in strijd met de rechtszekerheid.

De Afdeling overweegt dat verweerder met de gemeente belang heeft kunnen toekennen aan de mogelijkheid vijf woningen ter plaatse te bouwen, omdat er een wachtlijst van woningzoekenden voor de kern Drimmelen bestaat.

Gelet op de ligging van het plangebied in de omgeving, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor de stedenbouwkundige opzet aansluiting is gezocht bij de reeds aanwezige rij woningen aan de Amalia van Solmsstraat.

Het is de Afdeling niet gebleken dat het uitzicht van appellant in ernstige mate zal worden aangetast. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de afstand van de zijkant van de woning van appellant tot het bestemmingsvlak vier meter is en de afstand tot het deel waar een hoofdgebouw kan worden opgericht tien meter. Zijn woning is voorts niet gericht op het plangebied.

Verder acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat de bouw van de woningen met bijgebouwen als voorzien in het plan niet een zodanige vermindering van lichttoetreding van de woning van appellant tot gevolg zal hebben dat de bouw moet worden nagelaten, niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking de afstand van de woning tot de bebouwing en de noordelijke ligging van het plangebied ten opzichte van de woning van appellant.

De Afdeling is verder niet gebleken dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen te weinig gewicht heeft toegekend aan het belang van appellant bij bescherming van zijn woongenot en privacy. Evenmin is gebleken dat de overlast door tocht zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid niet heeft kunnen voorbijgaan.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de geluidsoverlast, door weerkaatsing van het geluid van het verkeer op de Stationsweg op de te bouwen woningen, zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid overwegende betekenis had moeten toekennen.

De Afdeling is voorts van oordeel dat verweerder in de waterhuishoudkundige gevolgen van het plan in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien goedkeuring aan het plan te onthouden. De Afdeling acht hierbij van belang dat blijkens de plantoelichting de waterhuishoudkundige aspecten op afdoende wijze zijn onderzocht.

Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van appellant betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.7.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede , ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

270-445.