Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9702

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200300495/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 1999 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland een verzoek van appellante om vergoeding van de schade wegens de vernatting van haar voor de teelt van bloembollen verhuurde perceel ten gevolge van de plaatsing van een kwelscherm bij de Westerduinweg te Zijpe, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/49
M en R 2004, 21K

Uitspraak

200300495/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 17 december 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 1999 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) een verzoek van appellante om vergoeding van de schade wegens de vernatting van haar voor de teelt van bloembollen verhuurde perceel ten gevolge van de plaatsing van een kwelscherm bij de Westerduinweg te Zijpe, afgewezen.

Bij besluit van 20 juni 2000 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2002, verzonden op 24 december 2002, heeft de rechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 17 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 maart 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2003, waar appellante in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.M.B. Kuijpers, advocaat te Amsterdam, en ir. P. van Keulen, A. Mak en M.T. Hoekzema, ambtenaren der provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante is eigenaar van een perceel grond langs de Westerduinweg te Zijpe, ter hoogte van het natuurgebied het Zwanenwater; zij verhuurt haar perceel voor de teelt van bloembollen. Teneinde de verdroging van het Zwanenwater te bestrijden heeft het college in 1995 een kwelscherm in de berm van de Westerduinweg geplaatst. Het perceel van appellante bevindt zich aan het einde van het scherm.

2.2. Appellante heeft gesteld dat de plaatsing van het kwelscherm heeft geleid tot een stijging van de grondwaterstand, waardoor haar perceel zodanig is vernat dat het niet langer geschikt is voor de bloembollenteelt. Het gevolg hiervan is dat zij het voor de teelt van bloembollen niet langer kan verhuren, waardoor zij schade lijdt, aldus appellante.

2.3. Het college heeft het verzoek van appellante beoordeeld aan de hand van de op 14 augustus 1995, met het oog op de afhandeling van verzoeken om schade die de plaatsing van het kwelscherm bij agrariërs heeft veroorzaakt, tot stand gekomen Overeenkomst schaderegeling landbouw Zwanenwater (hierna: de schaderegeling).

Artikel 2 van de schaderegeling bepaalt dat ten behoeve van de afhandeling van klachten en/of verzoeken tot schadevergoeding partijen in onderling overleg een onafhankelijke waarnemer benoemen. De waarnemer rapporteert over klachten en aard en omvang van verzoeken tot schadevergoeding. De kosten van de onafhankelijke waarnemer worden voor 50% door de aanvrager en voor 50% door de provincie gedragen, tenzij de provincie aansprakelijk blijkt, dan draagt de provincie 100%.

Artikel 4, aanhef, van de schaderegeling, voorzover van belang, bepaalt dat, indien geen overeenstemming tot stand komt over toekenning van een schadevergoeding het verzoek tot schadevergoeding wordt voorgelegd aan een commissie van deskundigen, waarbij onder b. is bepaald, dat partijen moeten verklaren dat de uitspraak van de commissie partijen bindt en de kracht heeft van een arbitraal vonnis.

Artikel 5 van de schaderegeling bepaalt dat de commissie uit drie personen bestaat en als volgt wordt samengesteld:

a. een lid wordt benoemd door de indiener van het verzoek;

b. een lid wordt benoemd door de provincie;

c. de onder a. en b. genoemde leden benoemen gezamenlijk een derde lid.

De kosten van het onder a. genoemde lid komen ten laste van de indiener van het verzoek. De kosten van het onder b. genoemde lid komen ten laste van de provincie.

De kosten van het onder c. genoemde lid komen op grond van de uitspraak (met betrekking tot de aansprakelijkheid) van deze commissie ten laste van de provincie of de indiener van het verzoek.

Artikel 6 van de schaderegeling bepaalt dat de commissie als taak heeft:

a. op basis van de rapportage van de onafhankelijke waarnemer en door de partijen aangevoerde gegeven en argumenten en het eigen inzicht in waarde van agrarische produkten te onderzoeken of sprake is van schade in de zin van financieel nadeel voor de betreffende agrariër;

b. vast te stellen of en in hoeverre er een causaal verband bestaat tussen de geconstateerde schade en het scherm;

c. vast te stellen of de schade ten laste van de provincie dient te komen;

d. de omvang vast te stellen van de te vergoeden schade.

2.4. Voorafgaand aan zijn besluit tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding heeft het college conform artikel 2 van de schaderegeling een waarnemer benoemd. In juli 1998 heeft deze waarnemer, [naam], een rapport uitgebracht, waarin onder meer is gesteld dat de maaiveldligging van het perceel van appellante van nature lager is dan van de aangrenzende percelen. Door de verhoging van het grondwater in het Zwanenwater ontstaat een situatie dat het grondwater gedeeltelijk ontsnapt om het kwelscherm heen. Aangezien er geen wegsloot aanwezig is, is het zeer aannemelijk dat er een verhoogd risico is voor het telen van bloembollen, aldus het rapport.

2.5. Bij zijn beslissing op bezwaar heeft het college het primaire besluit tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding wegens het ontbreken van causaal (hydrologisch) verband tussen de plaatsing van het scherm en de door appellante gestelde schade, gehandhaafd. De beslissing berust op de motivering dat, nu appellante geen verdere medewerking verleent aan de instelling van een commissie van deskundigen, het de provincie niet mogelijk is zorgvuldig en overeenkomstig de schaderegeling te beoordelen of sprake is van vernatting en, zo ja, of die het gevolg is van de plaatsing van het scherm, of hierdoor schade is ontstaan en, zo ja, in hoeverre deze schade dan voor vergoeding in aanmerking komt.

Verder motiveert het college, samengevat weergegeven, zijn besluit, dat berust op de rapportage van [deskundige sub 1], aldus dat het rapport van . [waarnemer] weliswaar aangeeft dat op het perceel van appellante een verhoogd risico voor bloembollenteelt bestaat vanwege hoge grondwaterstanden maar dat het niet aangeeft dat de hoge grondwaterstand ter plaatse veroorzaakt of versterkt wordt door de plaatsing van het kwelscherm. Uit metingen blijkt dat de grondwaterstanden sinds 1996 niet zijn verhoogd en dat het door [waarnemer] gesuggereerde ontsnappen van water langs het kwelscherm niet optreedt. Het college concludeert dat er geen causaal (hydrologisch) verband bestaat tussen de plaatsing van het scherm en de door appellante beweerdelijk geleden schade door vernatting van haar perceel. Voor het toekennen van een schadevergoeding bestaat dan ook geen aanleiding.

2.6. De rechtbank heeft voor haar oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de rapportage waarop het college zich heeft gebaseerd, niet de conclusie rechtvaardigt dat geen sprake is van een causaal (hydrologisch) verband, onder meer van belang geacht dat appellante niet heeft meegewerkt aan het instellen van een commissie, waarvan de leden bij uitstek als deskundigen over de hydrologische kwestie hadden kunnen oordelen.

2.7. Appellante heeft onder meer betoogd dat het college, vanwege de daarmee voor haar gepaard gaande kosten, niet van haar kon vergen dat zij, nadat meer dan vijf jaar sedert haar verzoek om schadevergoeding waren verlopen en de schade telkenjare was opgelopen, haar medewerking zou verlenen aan de instelling van een commissie van deskundigen; dit te minder nu conform de schaderegeling de door de provincie benoemde waarnemer reeds in 1998 een rapport heeft uitgebracht, waaruit naar voren komt dat de plaatsing van het kwelscherm de oorzaak is van de vernatting van haar perceel.

2.8. De Afdeling stelt voorop dat het college de schaderegeling gedurende de bezwaarschriftenprocedure, voorzover deze voorziet in de instelling van een commissie van deskundigen die over het schadeverzoek bij gebreke van overeenstemming een uitspraak zou kunnen doen, terecht niet heeft gevolgd, nu die procedure in zoverre niet in overeenstemming zou zijn geweest met de Awb, die immers met zich brengt dat het college tot heroverweging van zijn primaire besluit diende te komen, waarbij derhalve geen plaats is voor een uitspraak van een commissie van deskundigen. Ook voorzover de schaderegeling voorziet in een bijdrage van appellante in de benoeming van een deskundige is de schaderegeling (uiteindelijk) terecht buiten toepassing gebleven, ook al omdat het opleggen van een dergelijke, op een burger rustende verplichting een wettelijke basis behoeft.

Geheel in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het college een besluit op bezwaar genomen, na het advies te hebben afgewacht van de hoor- en adviescommissie, die appellante heeft gehoord. Dat het college – gemotiveerd – is afgeweken van dit advies, dat inhield de bezwaren, voorzover betrekking hebbend op de zorgvuldigheid, gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en met inachtneming van het gestelde in het advies te beslissen, betekent niet dat het college de in de Awb terzake voorgeschreven procedure heeft geschonden.

2.9. Wat betreft de materiële kant van de zaak moet worden geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zich op de aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegde gegevens heeft kunnen baseren voor zijn standpunt dat er geen causaal (hydrologisch) verband bestaat tussen de plaatsing van het scherm en de beweerdelijk geleden schade door vernatting van het perceel van appellante. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.10. Haar opvatting dat het kwelscherm er wel degelijk de oorzaak van is dat de grondwaterstand tot een zodanige vernatting van haar perceel heeft geleid dat de verhuur van haar perceel voor de bloembollenteelt onmogelijk is geworden, baseert appellante op het rapport van de waarnemer [naam] van juli 1998.

In de aan de beslissing op bezwaar van 20 juni 2000 ten grondslag liggende rapporten van [deskundige sub 1] van 10 en 24 maart 2000 is gemotiveerd betoogd waarom niet op basis van het rapport van [waarnemer] tot een dergelijk causaal verband kan worden geconcludeerd.

Vervolgens heeft appellante in beroep een tegenadvies van [deskundige sub 2] van 2 mei 2002 overgelegd, inhoudend dat het op grond van de analyse van de beschikbare gegevens aannemelijk is dat de aanleg van het kwelscherm een vernatting van het perceel in kwestie kan veroorzaken. Het college heeft hierop gereageerd door middel van het rapport van [deskundige sub 1] van 6 november 2002. Daarin wordt uitgebreid en puntsgewijs ingegaan op het tegenadvies en gemotiveerd weerlegd dat het onvoldoende basis biedt voor de stelling van appellante dat de gestelde vernatting van haar perceel daadwerkelijk het gevolg is van de plaatsing van het kwelscherm.

Voorts is van belang dat het college ter zitting wederom heeft uiteengezet dat de door hem toegepaste peil- en meetmethoden onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het aannemen van een causaal verband tussen de plaatsing van het scherm enerzijds en de verhoging van de grondwaterstand, en daarmee van de schade, anderzijds, en dat dit door appellante onvoldoende is weersproken.

Van bijzondere omstandigheden, die nopen tot toewijzing van het verzoek om schadevergoeding in afwijking van de schaderegeling is voorts niet gebleken.

Het oordeel van de rechtbank dat het verzoek terecht is afgewezen, is juist.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

238.