Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9697

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200300052/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 augustus 2001 heeft verweerder vastgesteld het wijzigingsplan “Wijziging Rivelstraat 2001”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/51
Gst. 2005, 135
Module Vastgoed en wonen 2003/530

Uitspraak

200300052/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalburg,

verweerder,

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2001 heeft verweerder vastgesteld het wijzigingsplan “Wijziging Rivelstraat 2001”.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 28 september 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 november 2002 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 2 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [appellant], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G. Verweij, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in wijziging van het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 1999”, inhoudende dat op de plankaart een nieuw agrarisch bouwperceel wordt aangegeven waardoor de vestiging van een plantenkwekerij mogelijk wordt.

Bij het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 1999” heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant vermeld dat een wijziging van dit bestemmingsplan geen goedkeuring behoeft indien tegen de wijziging geen zienswijzen zijn ingediend. Er is niet van zienswijzen tegen het in geding zijnde wijzigingsplan gebleken.

2.2. Appellanten stellen dat het besluit van verweerder om het wijzigingsplan vast te stellen onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Volgens hen voldoet het plan niet aan de voorwaarden voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. Zij stellen voorts dat het plan in strijd met het streekplan de nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf mogelijk maakt. De vestiging van het bedrijf zal volgens hen leiden tot overlast voor de in de nabijheid staande woningen door belemmering van het uitzicht en door toename van het aantal verkeersbewegingen.

2.3. Verweerder is van mening dat is voldaan aan de voorwaarden om gebruik te mogen maken van de wijzigingsbevoegdheid. Hij betoogt dat uit het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB) blijkt dat het gaat om een volwaardige agrarische bedrijfsvoering. Voorts is hij van mening dat genoegzaam is aangetoond dat geen gebruik kon worden gemaakt van een bestaand op de plankaart aangeduid agrarisch bouwperceel. Verweerder heeft vermeld dat het beleid dat ziet op het toestaan van glastuinbouw de instemming heeft van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

2.4. Aan de betrokken gronden is in het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 1999” de bestemming “Agrarisch gebied” zonder bouwperceel toegekend. Ingevolge artikel 30, derde lid van de voorschriften van dit bestemmingsplan is verweerder bevoegd het bestemmingsplan zodanig te wijzigen dat op de plankaart een nieuw agrarisch bouwperceel wordt aangegeven met een oppervlakte van ten hoogste 1,5 ha. Daarbij dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

- het te vestigen agrarisch bedrijf biedt naar omvang en activiteiten aan ten minste één volwaardige arbeidskracht een volledige dagtaak en behoeft om bedrijfseconomische redenen een nieuw bouwperceel,

- er kan geen gebruik worden gemaakt van een bestaand, op de plankaart aangeduid agrarisch bouwperceel,

- en

- - op geen van de gevels van de bedrijfswoning overschrijdt de geluidbelasting vanwege een weg de toegestane grenswaarde krachtens de Wet geluidhinder.

Artikel 30, derde lid van de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 1999” bepaalt verder dat bij de wijziging voorzien dient te worden in een redelijke inpassing in het landschap, met behulp van opgaande beplanting. Voorts is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders alvorens te beslissen het advies inwinnen van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.

2.5. Ingevolge artikel 4, vierde lid onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 1999” mag behoudens binnen bouwpercelen met op de plankaart de aanduiding “glastuinbouwbedrijf”, de gezamenlijke oppervlakte van kassen met een hoogte van meer dan 1,5 meter binnen elk bouwperceel niet meer dan 1.000 m2 bedragen. Ingevolge artikel 4, zevende lid van de voorschriften van dit bestemmingsplan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 4, vierde lid onder c, ten behoeve van het bouwen van kassen met een hoogte van meer dan 1,5 meter binnen een zelfde bouwperceel indien de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond, het bedrijf overwegend grondgebonden blijft en geen omschakeling plaatsvindt naar een overwegend glastuinbouwbedrijf.

2.6. De Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB) is blijkens het advies van 4 juli 2002 van mening dat de beoogde plantenkwekerij, bestaande uit een kas van 1.000 m2 en een bedrijfsruimte van 810 m2, kan worden aangemerkt als een volwaardig agrarisch bedrijf. De voorgestane bedrijfsopzet dient volgens de AAB te worden aangemerkt als een glastuinbouwbedrijf. Om de continuïteit van de bedrijfsvoering ook op de langere termijn te kunnen waarborgen is volgens de AAB de voorgenomen uitbreiding van de glasoppervlakte met circa 1.000 m2 essentieel.

2.7. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat is voldaan aan de voorwaarden om gebruik te mogen maken van de wijzigingsbevoegdheid. Artikel 30, derde lid van de planvoorschriften sluit niet uit dat een bouwperceel wordt toegekend ten behoeve van de vestiging van een nieuw op te zetten bedrijf. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich in dit geval, uitgaande van zijn ervaring inzake vrijkomende agrarische locaties binnen de gemeente en het van de zijde van de plantenkwekerij overgelegde rapport van een makelaar, niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen gebruik kon worden gemaakt van een bestaand, op de plankaart aangeduid agrarisch bouwperceel.

De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 4, vierde lid onder c. van de planvoorschriften, binnen het bouwperceel een kas met een oppervlakte van 1.000 m2 zonder meer is toegestaan. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de in artikel 4, zevende lid van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsregeling niet voorziet in uitbreiding van de plantenkwekerij met meer kassen, nu hier geen sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf. De Afdeling is van oordeel dat verweerder in het ontbreken van deze uitbreidingsmogelijkheid geen aanleiding behoefde te zien om af te zien van het toekennen van een bouwperceel. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit een door de plantenkwekerij overgelegd bedrijfsplan van 7 juli 2003 kan worden afgeleid dat de komende jaren op 1.000 m2 voldoende continuïteitsperspectief aanwezig is en een uitbreiding naar 2.000 m2 niet noodzakelijk is.

2.8. Ten aanzien van de beroepsgrond van appellanten dat het wijzigingsplan in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beleid ten aanzien van glastuinbouwbedrijven, overweegt de Afdeling als volgt.

Uit artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening volgt dat het streekplan, behoudens indien sprake is van een concrete beleidsbeslissing, niet rechtstreeks bindend is voor het gemeentebestuur bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. In het streekplan “Brabant in balans”, dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, zijn geen concrete beleidsbeslissingen opgenomen. In zoverre is verweerder derhalve niet aan het streekplan gebonden.

Bij de goedkeuring van het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 1999” heeft het college van gedeputeerde staten besloten dat voor zover niet van bedenkingen is gebleken, zoals in dit geval, besluiten tot wijziging van het bestemmingsplan geen goedkeuring behoeven. Zulks neemt niet weg dat verweerder in het kader van het in artikel 3:4, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel alle relevante belangen die door de te nemen beslissing zullen worden geraakt dient mee te wegen. In dat kader komt aan het onder andere in het streekplan vervatte provinciaal ruimtelijk beleid betekenis toe. Indien de voorgenomen vaststelling van een wijzigingsplan op gespannen voet staat met dat beleid heeft verweerder te bezien of bij afweging van alle betrokken belangen niet van vaststelling moet worden afgezien.

2.8.1. De gronden waarop de plantenkwekerij is voorzien zijn in het streekplan aangeduid als Agrarische Hoofdstructuur-Landbouw. Het provinciaal ruimtelijk beleid ten aanzien van glastuinbouwbedrijven in deze hoofdzone is er op gericht nieuwvestiging uitsluitend toe te staan in de zogenoemde vestigingsgebieden. De betreffende gronden maken geen deel uit van een vestigingsgebied. Het provinciaal ruimtelijk beleid staat echter niet in de weg aan het oprichten van een permanente ondersteunende kas van 1.000 m2 buiten een vestigingsgebied. De Afdeling leidt hieruit af dat het provinciaal ruimtelijk beleid het oprichten van een enkele kas van maximaal 1.000 m2 op een agrarisch bouwperceel buiten de voor grootschalige glastuinbouw aangewezen vestigingsgebieden niet onder alle omstandigheden onmogelijk heeft willen maken. Gelet op het kleinschalig karakter van de plantenkwekerij en in aanmerking nemende dat het plan niet voorziet in uitbreiding van de plantenkwekerij met meer kassen, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het oprichten van een plantenkwekerij met een kas van 1.000 m2 niet in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beleid inzake glastuinbouw.

2.9. Ten aanzien van de beroepsgrond van appellanten dat de vestiging van een plantenkwekerij zal leiden tot overlast voor de in de nabijheid staande woningen, is de Afdeling van oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake zal zijn van een zodanige aantasting van de woonomgeving van appellanten dat verweerder hieraan overwegende betekenis heeft moeten toekennen.

2.10. Gelet op het vorenstaande en hetgeen overigens door appellanten is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van appellanten is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. Vis, Voorzitter, mr. P.J.J. van Buuren en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Vis w.g. Voskamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

370.