Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200206817/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2002 heeft de gemeenteraad van Nijmegen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 maart 2002, het bestemmingsplan "Vossenpels, Herziening Sportpark" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206817/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3. de vereniging "Gewestelijke Land- en Tuinbouw Organisatie" en de vereniging "STOL Belangenvereniging Tuinbouw Lent en omstreken", gevestigd te Deventer, respectievelijk Lent,

4. [appellante sub 4], gevestigd te [plaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2002 heeft de gemeenteraad van Nijmegen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 maart 2002, het bestemmingsplan "Vossenpels, Herziening Sportpark" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 november 2002, nr. RE2002.48661, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 20 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2002, [appellante sub 2] bij brief van 24 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2003, appellanten sub 3 (hierna: GLTO en STOL) bij brief van 7 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2003, en [appellante sub 4] bij brief van 6 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2003, [appellant sub 5] bij brief van 24 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 februari 2003 heeft verweerder medegedeeld dat de beroepschriften hem geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 juni 2003 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2003, waar [appellant sub 1] in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. D. Wintraecken, gemachtigde, GLTO en STOL, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellante sub 4], vertegenwoordigd door mr. D. Wintraecken, gemachtigde, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. D. Wintraecken, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Nijmegen, vertegenwoordigd door mr. I. Smeenk, advocaat te Nijmegen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet ondermeer in de aanleg van een sportpark en de bouw van enkele woningen in het gebied de Vossenpels.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming “Recreatieve doeleinden” en de bestemming “Woondoeleinden”.

[appellant sub 1], de GLTO en de STOL voeren hiertoe aan dat het plan in strijd is met het Regionaal Structuurplan Knooppunt Arnhem-Nijmegen 1995-2015, dat gedeputeerde staten op 30 juni 1998 hebben goedgekeurd (hierna: het RSP KAN). Verder betogen zij dat het plan ook in strijd is met het Streekplan Gelderland 1996, dat provinciale staten op 25 september 1996 hebben vastgesteld (hierna: het streekplan). Volgens [appellant sub 1], de GLTO en de STOL heeft verweerder beide plannen ten onrechte niet in zijn besluit omtrent goedkeuring betrokken.

Voorts betogen appellanten dat aan het plan geen deugdelijke motivering ten grondslag ligt, omdat het structuurplan “Land over de Waal” geen grondslag biedt voor het sportpark in de Vossenpels.

[appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 4] en [appellant sub 5] vrezen dat het plan hun ontwikkelingsmogelijkheden en hun huidige bedrijfsvoering in onevenredige mate zal aantasten.

[appellant sub 1] voert verder aan dat de gemeenteraad ten onrechte geen plan voor het hele gebied de Vossenpels heeft vastgesteld, terwijl dit oorspronkelijk wel de bedoeling was.

Tot slot zijn [appellante sub 2], [appellante sub 4] en [appellant sub 5] van mening dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat verweerder geen nader onderzoek heeft gedaan naar de nadelige fysiologische effecten op de plantengroei door de komst van kunstmatig licht op de sportvelden.

2.4. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat in het structuurplan “Land over de Waal” uit 1996 (hierna: het structuurplan) de keuze is gemaakt voor de ontwikkeling van nieuwe sportvoorzieningen in het Waalspronggebied. Een van deze voorzieningen dient op grond van het structuurplan te worden ontwikkeld binnen het gebied de Vossenpels, ter compensatie van bestaande sportvelden nabij de Visveldsestraat die moeten verdwijnen als gevolg van de daar beoogde woningbouw.

2.5. Verweerder heeft geen reden gezien de plandelen met de bestemming “Recreatieve doeleinden” en de bestemming “Woondoeleinden” in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft hieraan goedkeuring verleend. Hij deelt het standpunt van de gemeenteraad ten aanzien van de ontwikkeling van sportvoorzieningen in de Vossenpels.

2.6. Blijkens pagina 11 van het RSP KAN bestaat het toetsingskader van dit regionale structuurplan onder andere uit:

- de op de plankaart opgenomen concrete beleidsbeslissingen en overige aanduidingen;

- de per paragraaf opgenomen beleidsbeschrijvingen.

Ten aanzien van de toelichting op de beleidsbeschrijvingen vermeldt het RSP KAN dat hierin beschouwingen worden gegeven over de achtergronden van de beschrijvingen en over de intenties daarvan. Verder wordt aangegeven dat deze beschouwingen weliswaar geen deel uitmaken van het formele toetsingskader, maar dat zij wel van groot belang zijn voor het vellen van een concreet oordeel over een bestemmingsplan.

Op de plankaart behorende bij het RSP KAN is het gebied de Vossenpels aangeduid als “concentratiegebied glastuinbouw”.

De toelichting op de beleidsbeschrijving 5.7 “Agrarische dynamiek” vermeldt op pagina 84 van het RSP KAN dat de locatie Vossenpels tenminste tot 2015 niet voor woningbouw wordt ingezet. Ter verbetering van de toekomstperspectieven, wordt voor deze locatie herstructurering/herverkaveling gestimuleerd.

2.6.1. Ingevolge artikel 36l, eerste lid, van de WRO houden gedeputeerde staten indien voor het gebied begrepen in een regionaal structuurplan een bestemmingsplan is vastgesteld en dit aan de goedkeuring van gedeputeerde staten wordt onderworpen, bij hun besluit omtrent goedkeuring van dat bestemmingsplan, rekening met het regionaal structuurplan.

Ingevolge artikel 36l, tweede lid, van de WRO vragen gedeputeerde staten voor zover het bestemmingsplan in strijd is met het regionaal structuurplan het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam om advies. Binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag bericht het dagelijks bestuur gedeputeerde staten, dat

a. het regionaal structuurplan zal worden gewijzigd en het bestemmingsplan, vooruitlopend op die wijziging kan worden goedgekeurd, of

b. aan het bestemmingsplan goedkeuring moet worden onthouden wegens strijd met het regionaal structuurplan.

Op pagina 11 van het RSP KAN wordt deze adviesprocedure uitgewerkt.

2.6.2. Gelet op de aanduiding “concentratiegebied glastuinbouw” op de plankaart behorende bij het RSP KAN en de toelichting behorende bij de beleidsbeschrijving 5.7 “Agrarische dynamiek”, is de Afdeling van oordeel dat het bestemmingsplan “Vossenpels, Herziening Sportpark” waar het de aanleg van een sportpark en de bouw van woningen betreft in strijd is met het RSP KAN.

De Afdeling is niet gebleken dat verweerder ten aanzien van deze strijdigheid tijdig advies heeft gevraagd aan het College van Bestuur KAN overeenkomstig de in artikel 36l, tweede lid, van de WRO neergelegde procedure.

2.7. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 36l, eerste en tweede lid, van de WRO.

De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Voorts ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat verweerder binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit omtrent de goedkeuring van het plan dient te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend dient te maken.

2.8. Met het oog op het nemen van een nieuw besluit merkt de Afdeling op dat het gebruik van de lichtmasten en de mogelijke gevolgen daarvan voor de teelt van de gewassen in de kassen, in elk geval in het kader van de besluitvorming op grond van de van toepassing zijnde milieuwetgeving aan de orde kunnen komen. Het bestemmingsplan biedt een juridisch-planologisch kader waarin, als daarvoor aanleiding is, ook de mogelijke gevolgen voor het milieu kunnen worden meegewogen. In hetgeen [appellante sub 2], [appellante sub 4] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling vooralsnog geen aanleiding om te concluderen dat in dit opzicht onoverkomelijke problemen zijn te verwachten.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling voorts vast dat het noordelijke deel van het plangebied, waar het nieuwe sportpark is voorzien, geheel in eigendom is van de gemeente, zodat uitbreidingen van glastuinbouwbedrijven redelijkerwijs niet meer te verwachten zijn.

2.9. Verweerder dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 4] en [appellant sub 5] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van de GLTO en de STOL niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 12 november 2002, nr. RE2002.48661, voor zover dit voorziet in de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Recreatieve doeleinden” en de bestemming "Woondoeleinden";

III. draagt het college van gedeputeerde staten van Gelderland op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit omtrent de goedkeuring te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellanten sub 1, 2, 4, 5 in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 690,78 aan [appellant sub 1], van welk bedrag € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

€ 644,00 aan [appellante sub 2], € 644,00 aan [appellante sub 4], € 644,00 aan [appellant sub 5], welke bedragen geheel zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellanten sub 1, 2, 4, 5;

V. gelast dat de provincie Gelderland het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ([appellant sub 1]: € 109,00, [appellante sub 2]: € 218,00, GLTO en STOL: € 218,00, [appellante sub 4]: € 218,00 en [appellant sub 5]: € 218,00).

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

218-427.