Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9695

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200206627/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2000 heeft het bestuur van de stichting "Mondriaan Stichting" afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om voor 2001-2002 als galerie te worden toegelaten tot de Regeling voor het bevorderen van aankopen hedendaagse beeldende kunst door particulieren (de zogenoemde Kunstkoopregeling, hierna: de Regeling).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206627/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 23 oktober 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het bestuur van de stichting "Mondriaan Stichting" .

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2000 heeft het bestuur van de stichting "Mondriaan Stichting" (hierna: het bestuur) afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om voor 2001-2002 als galerie te worden toegelaten tot de Regeling voor het bevorderen van aankopen hedendaagse beeldende kunst door particulieren (de zogenoemde Kunstkoopregeling, hierna: de Regeling).

Bij besluit van 24 april 2001 heeft het bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 oktober 2002, verzonden op 29 oktober 2002, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 februari 2003 heeft het bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. E.M. Richel, advocaat te Rotterdam, en het bestuur, vertegenwoordigd door [naam], bureausecretaris, en [naam], directeur, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De inleiding bij de Regeling, als gepubliceerd in Stcrt. 1997, 147, luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"De Mondriaan Stichting, Stimuleringsfonds voor beeldende kunst, vormgeving en museale activiteiten, heeft een overeenkomst gesloten met VSB Bank op basis waarvan particulieren onder gunstige voorwaarden een lening kunnen verkrijgen voor de aanschaf van beeldende kunst bij daartoe geselecteerde galeries. De Mondriaan Stichting draagt zorg voor volledige vergoeding van de rente die met deze financiering gemoeid is. Doel van de regeling is het versterken van de particuliere markt en het bevorderen van de verkoop van hedendaagse beeldende kunst. Om budgettaire redenen en vanwege het streven naar voldoende kwaliteitsniveau geldt een aantal regels. Een belangrijke bepaling is dat de regeling alleen geldt voor kunst die gekocht wordt bij als verkooppunt toegelaten galeries. Galeries kunnen worden toegelaten wanneer zij voldoen aan de criteria die zijn genoemd in de Kunstkoopregeling.”

2.2. Appellant stelt zich op het standpunt dat het bestuur door de weigering zijn galerie tot de Regeling toe te laten handelt in strijd met artikel 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag). Door de weigering zijn galerie toe te laten komt hij, naar hij stelt, ten opzichte van de wel toegelaten galeries in een nadeliger concurrentiepositie.

In hoger beroep stelt appellant ook nog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen begin van bewijs is geleverd voor zijn stelling dat sprake is van een economische machtspositie van tot de Regeling toegelaten galeries ten opzichte van niet toegelaten galeries op de relevante markt. Hij is immers, naar hij stelt, niet in staat een dergelijk bewijs te leveren.

2.2.1. Appellant kan hierin niet worden gevolgd. Met de rechtbank wordt overwogen dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat de tot de Regeling toegelaten galeries gezamenlijk een wezenlijk aandeel op de relevante markt hebben. Gelet op de omstandigheid dat het bestuur in de zitting bij de rechtbank heeft aangegeven dat het gezamenlijk aandeel van de toegelaten galeries ten hoogste 10-20% bedraagt, hetgeen niet door appellant is weersproken, is het niet aannemelijk dat die galeries een (collectieve) economische machtspositie innemen op de relevante markt.

Dat, naar appellant stelt, met de relevante markt slechts de particuliere markt wordt bedoeld, valt niet in te zien. Geen aanleiding bestaat aan te nemen dat toegelaten galeries, niet toegelaten galeries en andere aanbieders van hedendaagse kunst (zoals andere kunsthandelaren, veilinghuizen en kunstuitleencentra, maar ook de kunstenaars die hun werk rechtstreeks te koop aanbieden) zich op een zodanige manier van elkaar zouden onderscheiden op grond van kenmerken, prijzen of beoogd gebruik, dat de gemiddelde koper van hedendaagse beeldende kunst hun producten als niet verwisselbaar beschouwt. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat als relevante markt dient te worden aangemerkt de totale Nederlandse markt voor hedendaagse beeldende kunst. De particuliere markt voor galeries is slechts een onderdeel van die markt.

Ook overigens heeft appellant zijn stelling, dat de niet tot de Regeling toegelaten galeries worden beperkt in hun vrijheid om concurrentiemiddelen aan te aanwenden, wat daarvan verder zij, niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Niet aannemelijk is gemaakt dat een ‘normale’ concurrentiestrijd, zowel tussen de galeries onderling als tussen toegelaten en niet toegelaten galeries door de werking van de Regeling op mededingingsrechtelijk relevante wijze wordt belemmerd. De rechtbank heeft dan ook reeds in het door appellant aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het bestuur heeft gehandeld in strijd met artikel 82 van het EG-Verdrag en voor vernietiging van het besluit op bezwaar.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank, in hetgeen appellant heeft aangevoerd, terecht ook geen aanleiding heeft gezien voor het benoemen van een deskundige. Of appellant een begin van bewijs heeft geleverd, kan, gelet op vorenoverwogene, buiten beschouwing worden gelaten.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. de Gooijer w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op10 december 2003

164-408.