Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
200206140/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2001, kenmerk 3-111179, heeft verweerder het verzoek van appellant van 14 augustus 2001 om schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206140/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Texel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2001, kenmerk 3-111179, heeft verweerder het verzoek van appellant van 14 augustus 2001 om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 16 april 2002, kenmerk 1-4295, verzonden bij brief van 29 mei 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 juli 2002, bij de rechtbank Alkmaar ingekomen op 4 juli 2002, beroep bij die rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep ter verdere behandeling naar de Afdeling doorgezonden. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 januari 2003.

Bij brief van 30 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2003, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. W.E. Brommersma, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.H. Witte, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft in 1966 aan [partij] een hinderwetvergunning (thans Wet milieubeheer-vergunning) verleend voor het oprichten van een gasdepot op een aan appellant in eigendom toebehorend perceel aan de [locatie] te [plaats]. Naar aanleiding van het ontwerpbesluit tot intrekking van deze vergunning heeft appellant bij brief van 14 augustus 2001 bedenkingen tegen de voorgenomen intrekking ingebracht en verweerder tevens verzocht om vergoeding van schade. Bij brief van 26 september 2001 heeft appellant dit verzoek aangevuld. De gestelde schade bestaat uit derving van huurinkomsten, waardevermindering van zijn onroerend goed en onnodig gemaakte meerkosten bij de bouw van een nieuwe schuur. Bij besluit van 31 oktober 2001 heeft verweerder de milieuvergunning voor het gasdepot ingetrokken. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

Gelet op het inleidende verzoek om schadevergoeding, dat verband houdt met het ontwerpbesluit tot intrekking van de milieuvergunning, alsmede op de overige stukken en het verhandelde ter zitting, moet het verzoek om schadevergoeding aldus worden opgevat, dat het betrekking heeft op schade die het gevolg is van de volgens appellant onzorgvuldige voorbereiding van het besluit tot intrekking van de milieuvergunning, waaronder het daarmee samenhangende feitelijk handelen of nalaten van de gemeente. Het verzoek kan niet worden geacht te zijn gebaseerd op het intrekkingsbesluit zelf.

2.2. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 6 mei 1997, nr. H01.96.0578/Q01 (AB 1997, 229), heeft overwogen, is de algemene dan wel de bijzondere bestuursrechter slechts bevoegd tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Tegen het gestelde schadeveroorzakend handelen - de onzorgvuldige voorbereiding van het besluit tot intrekking van de milieuvergunning, waaronder feitelijk handelen of nalaten van de gemeente - staat geen bezwaar en beroep open. Voorzover dit handelen is vervat in het ontwerpbesluit tot intrekking van de vergunning en dat ontwerpbesluit aldus als schadeveroorzakend besluit zou moeten worden aangemerkt, merkt de Afdeling op dat tegen dat ontwerpbesluit evenmin bezwaar en beroep open staat.

Uit het vorenstaande volgt dat tegen het besluit van verweerder van 1 november 2001, waarbij het verzoek om schadevergoeding is afgewezen, geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. Derhalve had verweerder het bezwaar van appellant tegen dat besluit niet-ontvankelijk in plaats van ongegrond moeten verklaren.

2.3. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding het bezwaar met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet is gebleken dat ten aanzien van de gemachtigde van appellant sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verder komt het verzoek van appellant om verweerder te veroordelen in de kosten van een deskundigenrapport niet voor inwilliging in aanmerking, reeds omdat het kosten betreft die vóór het besluit van 1 november 2001 zijn gemaakt en geen verband houden met de behandeling van het beroep.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Texel van 16 april 2002 , kenmerk 1-4295;

III. verklaart het bezwaar van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Texel van 1 november 2001, kenmerk 3-111179, niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Texel in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 126,85; het bedrag dient door de gemeente Texel te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de gemeente Texel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Zwinkels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

190-309