Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9267

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200302550/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 1996 heeft de gemeenteraad van Voorst, op voorstel van burgemeester en wethouders van 2 januari 1996, het bestemmingsplan “Oude Binnenweg, genaamd De Lens” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302550/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], waarvan de vennoten zijn [vennoot sub 1] en [vennoot sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 1996 heeft de gemeenteraad van Voorst, op voorstel van burgemeester en wethouders van 2 januari 1996, het bestemmingsplan “Oude Binnenweg, genaamd De Lens” vastgesteld.

Namens verweerder is bij besluit van 28 augustus 1996, no. RG96.8193, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 25 juni 1998, no. E01.96.0450, dit besluit vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 januari 1999, no. RE98.68193, opnieuw over de goedkeuring van het bestemmingsplan beslist.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 22 juni 2000, no. E01.99.0143, dit besluit vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 maart 2001, no. RE2000.61244, wederom beslist over de goedkeuring.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 20 februari 2002, no. 200102358/1, dit besluit vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 februari 2003, no. RE2002.18824, opnieuw beslist over de goedkeuring.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 22 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 24 juni 2003 heeft verweerder meegedeeld dat de beroepschriften geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. F.B.M. van Aanhold, advocaat te Zutphen, en verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. De gemeenteraad is, zonder bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan beoogt de bouw van 36 nieuwe woningen aan de Oude Binnenweg te Twello mogelijk te maken en regelt daarnaast de ontsluiting van appellantes werkplaats tot de Oude Binnenweg.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder ter uitvoering van de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2002, no. 200102358/1, een nieuw besluit omtrent goedkeuring van het plandeel met de aanduiding “ontsluitingsroute” genomen en aan dit plandeel goedkeuring onthouden.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de uitvoerbaarheid van de desbetreffende ontsluitingsroute niet is gewaarborgd en dat als gevolg hiervan de ontsluiting van het bedrijf overeenkomstig het bestemmingsplan niet kan worden aangelegd binnen de planperiode.

2.4. Appellante heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte om deze reden goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de aanduiding “ontsluitingsroute”. Zij stelt dat het bestreden besluit is gebaseerd op een motivering die in strijd is met de uitspraken van de Afdeling van 22 juni 2000, no. E01.99.0143 en van 20 februari 2002, no. 200102358/1.

2.5. In haar uitspraak van 20 februari 2002, no. 200102358/1, heeft de Afdeling overwogen:

”Ten tijde van het bestreden besluit hadden appellante en de woningstichting een vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst heeft betrekking op een andere ontsluitingsroute dan die in het plan is voorzien. Derhalve moet worden geoordeeld dat nog steeds niet duidelijk is of de ontsluiting van het bedrijf overeenkomstig het bestemmingsplan zal worden gerealiseerd binnen de planperiode. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.”

2.6. Door de in overweging 2.4 genoemde uitspraken van de Afdeling is het geschil in deze procedure beperkt tot het plandeel met de aanduiding “ontsluitingsroute”. De beroepsgronden van appellante die geen betrekking hebben op dit plandeel, kunnen derhalve in de huidige procedure niet meer aan de orde komen en zullen buiten beschouwing worden gelaten.

2.7. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, dient het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente onderzoek te doen naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel heeft dit onderzoek bij de planvoorbereiding van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan.

Ter zitting is vast komen te staan dat het bestreden besluit zo dient te worden uitgelegd dat de gemeenteraad in het artikel 30-plan weliswaar zorg dient te dragen voor een ontsluitingsroute voor het bedrijf, maar dat deze niet kan worden aangelegd op de plaats die hiervoor in het bestemmingsplan is aangewezen, omdat de gemeenteraad de uitvoering op deze plaats niet nastreeft. Bovendien hebben de woningstichting “Goed Wonen” en appellante reeds een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) gesloten die betrekking heeft op een andere ontsluitingsroute dan die waarin in het plan is voorzien. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat de uitvoerbaarheid van de ontsluitingsroute in het bestemmingsplan niet is gewaarborgd en dat als gevolg daarvan de ontsluiting van het bedrijf overeenkomstig het bestemmingsplan niet kan worden aangelegd binnen de planperiode, niet onredelijk.

Overigens merkt de Afdeling op dat verweerder ter zitting heeft toegezegd te bevorderen dat de gemeenteraad een passende ontsluiting van het bedrijf in het bestemmingsplan zal opnemen. In dit verband is van belang dat ter zitting door de aanwezige partijen is aangegeven dat de vaststellingsovereenkomst in de praktijk niet voldoet.

2.8. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de in zijn besluit genoemde overwegingen niet daaraan ten grondslag heeft kunnen leggen.

Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en

mr. J.G.C. Wiebenga en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Bindels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

85-449.