Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200301604/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Het Bildt het wijzigingsplan “Wijzigingsplan ex artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Het Bildt ([partij], Middelweg-Oost te Vrouwenparochie)” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301604/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Het Bildt het wijzigingsplan “Wijzigingsplan ex artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Het Bildt ([partij], Middelweg-Oost te Vrouwenparochie)” vastgesteld.

Bij besluit van 27 maart 2002, kenmerk 481146, ondertekend door verweerder, is beslist omtrent de goedkeuring van het plan.

Bij uitspraak van 14 november 2002, no. 200203021/3, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak dit besluit vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 7 januari 2003, kenmerk 508911, beslist omtrent de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 21 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2003, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. K. van der Tuin, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. L.A. Bolmers, ambtenaar van de gemeente. Ook [partij] heeft daar het woord gevoerd.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in een wijziging van het bestemmingsplan “Buitengebied”. Met het plan wordt beoogd de vestiging van een paardenhouderij/-fokkerij en manege (hierna: paardenbedrijf) mogelijk te maken aan de Middelweg-Oost te Vrouwenparochie. Daartoe wordt voorzien in wijziging van de bestemming “Agrarisch gebied” in de bestemming “Agrarische bedrijven” met de aanduiding “manege toegestaan”.

2.3. Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Naar zijn mening ontbreekt de noodzaak tot vestiging van het paardenbedrijf. Daarbij betoogt hij dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat het plan financieel en economisch uitvoerbaar is. Hij is verder van mening dat de in het plan voorziene bebouwing het landschappelijke karakter van het buitengebied zal aantasten en in strijd is met gemeentelijk beleid terzake. Daarnaast vreest appellant voor stankhinder en overlast van vliegen. Appellant betoogt verder dat vestiging van het paardenbedrijf in de weg staat aan de mogelijkheid het door hem geëxploiteerde sportcentrum uit te breiden. Verder is hij van mening dat het paardenbedrijf, in het bijzonder bij evenementen, beschikt over onvoldoende parkeerplaatsen, hetgeen overlast van geparkeerde auto’s zal meebrengen. Ook betoogt hij dat het plan afbreuk doet aan de verkeersveiligheid.

2.4. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd. Hij acht de noodzaak van bedrijfsvestiging en de uitvoerbaarheid van het plan voldoende aangetoond. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het voorziene paardenbedrijf past in het buitengebied en dat niet voor overlast behoeft te worden gevreesd.

2.5. Voorzover appellant zich keert tegen een krachtens de Drank- en horecawet aan [partij a en b] verleende vergunning en tegen de aan [partij a] verleende vergunning ten behoeve van het plaatsen van een stacaravan op het perceel [locatie], wordt overwogen dat deze aangelegenheden in deze procedure niet aan de orde kunnen komen.

2.5.1. Het beroep van appellant biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de vaststelling van het wijzigingsplan niet in overeenstemming is met de in het plan opgenomen wijzigingsregels, dan wel dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in strijd is met gemeentelijk beleid betreffende het buitengebied.

2.5.2. Met betrekking tot de door appellant betwiste behoefte aan de vestigingsmogelijkheid van het paardenbedrijf en de financiële en economische uitvoerbaarheid daarvan, overweegt de Afdeling als volgt.

Het perceel aan de [locatie] is na locatieonderzoek aangemerkt als de meest gewenste en gunstige plaats voor het paardenbedrijf. Gelet hierop en in aanmerking genomen de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bestaande bedrijfsactiviteiten en de voorgenomen uitbreiding daarvan, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de behoefte aan de in het plan voorziene bestemming voor het paardenbedrijf genoegzaam is aangetoond.

Verder heeft het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de vaststelling van het wijzigingsplan de financiële en economische uitvoerbaarheid van het plan bezien. Het college van burgemeester en wethouders heeft zich bij het onderzoek hiernaar mede gebaseerd op een ondernemingsplan voor het paardenbedrijf van [partij c en d] accountants en belastingadviseurs, dat ertoe strekt dat een succesvolle exploitatie van het paardenbedrijf mogelijk is. Niet is gebleken van onjuistheden in het bij het onderzoek betrokken ondernemingsplan, die verweerder aanleiding moesten geven aan de resultaten van het onderzoek te twijfelen. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder, mede op basis van dit onderzoek, ten onrechte van de financiële en economische uitvoerbaarheid van het plan is uitgegaan.

2.5.3. Het plangebied heeft een omvang van ongeveer 1,5 ha. Blijkens de stukken is de Middelweg-Oost een doorgaande weg, waaraan onder meer agrarische bedrijfsbebouwing staat. In aanmerking genomen de omgeving van het plangebied, de aard van de voorziene bedrijvigheid, alsmede de in het plan voorziene bouwmogelijkheden, is de Afdeling van oordeel dat verweerder er van heeft kunnen uitgaan dat de openheid van het landelijk gebied voldoende is gewaarborgd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens de plantoelichting de voorziene bebouwing door middel van erfbeplanting zoveel mogelijk aan het zicht zal worden onttrokken.

2.5.4. Het college van burgemeester en wethouders is bij de vaststelling van het plan, onder meer in verband met geurhinder, uitgegaan van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering. Blijkens deze brochure geldt voor zowel een paardenfokkerij als een manege een indicatieve afstandsnorm van 50 meter tot woonbebouwing. Aan de in de brochure vermelde afstand wordt voldaan. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 50 meter tot woonbebouwing aan de overzijde van het perceel en op een afstand van ongeveer 100 meter tot het sportcentrum en de bedrijfswoning van appellant. In aanmerking genomen deze afstanden en de ligging van het sportcentrum in landelijk gebied is de Afdeling van oordeel dat verweerder geen groot gewicht behoefde toe te kennen aan de door appellant gevreesde stankhinder en overlast van vliegen. In dit verband is dan ook niet gebleken dat het door appellant geëxploiteerde sportcentrum, als gevolg van het voorziene paardenbedrijf, in uitbreidingsmogelijkheden wordt belemmerd.

2.5.5. Wat betreft het door appellant gestelde tekort aan parkeerplaatsen overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens de stukken is in het plan 5000 m2 gereserveerd voor het parkeren van auto’s met trailers. Gelet hierop en in aanmerking genomen de omvang van het perceel en de daarvoor geldende bebouwingsmogelijkheden, is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk geworden dat onvoldoende kan worden voorzien in de parkeerbehoefte van het paardenbedrijf. Mede gelet op het voorgaande is er evenmin grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen vergaande gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid.

2.5.6. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Onselen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

178-275.