Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9264

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200301424/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2003, kenmerk ge/034.666, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een appelschil- en appelverwerkingsbedrijf, op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummer [-]. Dit besluit is op 24 januari 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/4463
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301424/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2003, kenmerk ge/034.666, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een appelschil- en appelverwerkingsbedrijf, op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummer [-]. Dit besluit is op 24 januari 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van

[vergunninghouder]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2003, waar appellanten, van wie [een van de appellanten] in persoon en bijgestaan door

[gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door S. Vasseur, J.P. van de Graaf en mr. M.A.E. in ’t Veld, allen ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Appellanten hebben ter zitting de beroepsonderdelen die betrekking hebben op voorschrift 8.4 en de terinzagelegging van de tekening waarnaar in enkele vergunningvoorschriften wordt verwezen, ingetrokken.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten stellen dat verweerder de aanvraag niet in behandeling had mogen nemen, omdat de door verweerder gevraagde aanvullende gegevens niet binnen de door hem gestelde termijn zijn ingediend.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat het bevoegd gezag in een dergelijk geval de aanvraag buiten behandeling kan laten op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is echter geen verplichting. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het in behandeling nemen van de aanvraag.

2.4. Appellanten betogen dat verweerder niet de juiste procedure heeft gevolgd, omdat in de bekendmaking van het bestreden besluit is vermeld dat de vergunning na afloop van de beroepstermijn, te weten op 22 februari 2003, van kracht wordt, terwijl hierin tevens is vermeld dat de beroepstermijn tot en met 7 maart 2003 liep.

2.4.1. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat het bestreden besluit zes weken ter inzage heeft gelegen. Niet kan worden geoordeeld dat verweerder door voornoemde kennelijke verschrijving niet de wettelijk voorgeschreven procedure heeft gevolgd.

2.5. Met betrekking tot het betoog van appellanten dat de inrichting niet in de onderhavige omgeving past, maar thuishoort op een industrieterrein, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol.

2.6. Appellanten vrezen voor geluidhinder vanwege verkeersbewegingen van en naar de inrichting in verband met de verplaatsing van de toegangsweg naar de inrichting. Voorts vrezen zij dat de voorschriften die ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder aan de vergunning zijn verbonden, niet kunnen worden nageleefd. Daarnaast voeren zij aan dat de keuringsdienst van waren zich niet zal kunnen vinden in het feit dat uitlaatgassen ten gevolge van de vergunde bedrijfsvoering in de ruimte waar het geschilde product ligt en in de productiehal kunnen komen.

2.6.1. Bij uitspraak van 2 mei 2003, no. 200301424/2 (aangehecht), heeft de Voorzitter van de Afdeling zich een oordeel gevormd over hetgeen appellante in dit verband heeft aangevoerd. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting komt de Afdeling, onder verwijzing naar de overwegingen in vorengenoemde uitspraak, ten aanzien van deze onderdelen van het beroep tot hetzelfde oordeel als haar Voorzitter. Het beroep van appellanten op deze punten treft derhalve geen doel.

2.7. Appellanten richten zich tegen de overwegingen van het bestreden besluit, waarin is gesteld dat bij de voorschriften voor het maximale geluidniveau aansluiting is gezocht bij de waarden die ingevolge de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt. Zij stellen dat verweerder overeenkomstig de Handreiking had moeten streven naar maximale geluidgrenswaarden van

10 dB(A) boven de getalswaarde voor de equivalente geluidgrenswaarden.

2.7.1. De Afdeling stelt vast dat de gestelde maximale geluidgrenswaarden lager zijn dan de waarden die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt. Blijkens het verweerschrift zijn naar aanleiding van de bedenkingen lagere maximale geluidgrenswaarden opgenomen dan in het ontwerp van het besluit en zijn de overwegingen van het bestreden besluit hierop abusievelijk niet aangepast. Overwegingen kunnen van belang zijn voor de motivering van een besluit, maar kunnen niet voor vernietiging in aanmerking komen. Nu deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de ter beoordeling staande vergunning, treft deze beroepsgrond reeds hierom geen doel.

2.8. Appellanten stellen dat enkele bewoners van Garijp last hebben van gezoem ’s nachts. Zij zijn er van overtuigd dat het gezoem afkomstig is van de onderhavige inrichting. Appellanten betogen dat vóór de inwerkingtreding van het bestreden besluit duidelijkheid dient te worden verschaft over de herkomst van het geluid.

2.8.1. Verweerder stelt dat het gezoem waarvan men overlast ondervindt mogelijk afkomstig is van twee transformatoren van een trafostation, dat in de nabijheid van de in geding zijnde inrichting is gelegen.

2.8.2. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was weliswaar onderzoek gaande naar laagfrequent geluid, doch niet stond vast of laagfrequent geluid moet worden aangemerkt als objectiveerbare hinder dan wel verband houdt met een bijzondere gevoeligheid van bepaalde personen voor dit geluid. Gelet op artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer heeft verweerder derhalve, ook al zou het gezoem van de onderhavige inrichting afkomstig zijn, ter zake terecht geen voorschriften gesteld.

2.9. Appellanten vrezen voor visuele hinder en betogen in dit verband dat ten onrechte geen voorschriften aan de vergunning zijn verbonden die strekken tot het aanbrengen van groenvoorzieningen tussen de inrichting en de Garijp.

2.9.1. De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.10. Appellanten stellen dat voor laad- en losactiviteiten ten onrechte geen geluidvoorschriften zijn opgenomen, terwijl deze activiteiten voor de meeste geluidoverlast zorgen. Ingevolge voorschrift 7.3 mogen laad- en losactiviteiten alleen tussen 07.00 en 19.00 uur plaatsvinden.

Ingevolge voorschrift 7.4 is het in deze vergunning met betrekking tot het maximale geluidniveau gestelde niet van toepassing op laad- en losactiviteiten ten behoeve van de inrichting.

2.10.1. De Afdeling overweegt dat indien het niet mogelijk is door het treffen van maatregelen aan de gestelde grenswaarden te voldoen, het in het algemeen toelaatbaar is om gedurende de dagperiode een uitzondering te maken op de gestelde waarden voor het maximale geluidniveau voor de door laad- en losactiviteiten veroorzaakte piekgeluiden. In een dergelijk geval waarborgen de gestelde voorschriften voor het equivalente geluidniveau voldoende dat de uitgezonderde piekgeluiden een incidenteel karakter behouden. Bij een regelmatige overschrijding van de piekgeluiden zal immers al snel overschrijding van de voor het equivalente geluidniveau gestelde voorschriften plaatsvinden. Niet aannemelijk is geworden dat maatregelen mogelijk zijn om overschrijding van de gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau door het piekgeluid veroorzaakt door voornoemde activiteiten te voorkomen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 7.1 toereikend is om de nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het laden of het lossen ten behoeve van de inrichting te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

2.11. Appellanten hebben bezwaar tegen voorschrift 7.15, waarin is bepaald dat controle op of berekening van de in voorschrift 7.1 en 7.2 vastgelegde geluidniveaus moet geschieden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. Ook de beoordeling van de meetresultaten moet volgens dit voorschrift overeenkomstig deze handleiding plaatsvinden. Appellanten stellen dat een dergelijk voorschrift niet aan een vergunning mag worden verbonden, omdat dit zich richt tot verweerder en niet tot vergunninghouder.

2.11.1. Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, voorzover hier van belang, worden, voorzover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften verbonden, inhoudende dat op een daarbij aangegeven wijze moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan.

Gelet hierop heeft verweerder voorschrift 7.15 terecht aan de vergunning verbonden.

2.12. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

255.