Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9263

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200302729/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 mei 2002, kenmerk DZ 02-1543/PK/DvR, heeft verweerder aan appellante een tijdelijke vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Natuurbeschermingswet verleend voor de exploitatie van een manege in het beschermde natuurmonument “De Brunssummerheide”.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 maart 2003, kenmerk TRCJZ/2003/2520, heeft verweerder de bezwaren van appellante gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 29 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 mei 2003.

Bij brief van 27 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet
Natuurbeschermingswet 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/4174
JM 2004/33 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302729/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Ruitercentrum Brunssummerheide", gevestigd te Brunssum,

appellante,

en

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2002, kenmerk DZ 02-1543/PK/DvR, heeft verweerder aan appellante een tijdelijke vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Natuurbeschermingswet verleend voor de exploitatie van een manege in het beschermde natuurmonument “De Brunssummerheide”.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 maart 2003, kenmerk TRCJZ/2003/2520, heeft verweerder de bezwaren van appellante gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 29 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 mei 2003.

Bij brief van 27 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Daemen, advocaat te Brunssum, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Nagel, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het college van gedeputeerde staten van Limburg, vertegenwoordigd door ing. G. Roozendaal, ambtenaar van de provincie.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 7, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet, voorzover hier van belang, is bepaald dat een natuurmonument, waarvan de bescherming niet reeds op andere wijze door of krachtens de wet is verzekerd, bij beschikking kan worden aangewezen als beschermd natuurmonument.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet is het verboden zonder vergunning van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument of die een beschermd natuurmonument ontsieren.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden als schadelijk voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument in ieder geval aangemerkt handelingen, die de in de beschikking tot aanwijzing genoemde wezenlijke kenmerken van een beschermd natuurmonument aantasten.

2.2. Appellante exploiteert een manege in Brunssum. Deze manege ligt in “De Brunssummerheide”, een natuurgebied met een oppervlakte van 515 hectare. Dit gebied is bij besluit van verweerder van 15 december 1995 aangewezen als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 7 van de Natuurbeschermingswet. Niet in geschil is dat de exploitatie van de manege als gevolg van de aanwijzing vergunningplichtig is ingevolge artikel 12 van de Natuurbeschermingswet.

2.3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend voor de duur van vier jaar.

Voorts heeft hij in het bestreden besluit het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

2.4. Appellante kan zich niet met het bestreden besluit verenigen voorzover daarbij haar bezwaar met betrekking tot de tijdelijkheid van de vergunning ongegrond is verklaard. Appellante heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de ammoniakdepositie binnen de grenzen blijft van de meer dan veertig jaar bestaande situatie, dat geen verdere aantasting van het natuurmonument plaatsvindt en dat de erfpachtovereenkomst tussen haar en de gemeente Brunssum reeds beperkt is in de tijd.

2.5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een situatie, waarbij sprake is van voor de natuurwaarden nadelige gevolgen, welke niet kunnen worden ondervangen door voorwaarden, niet zonder meer voor onbepaalde tijd moet kunnen worden voortgezet. Het verlenen van een tijdelijke vergunning ligt dan in de rede.

2.6. Verweerder heeft onder meer gesteld dat hij bij de beoordeling van aanvragen om een vergunning op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet voor het exploiteren van veehouderijen in de nabijheid van natuurmonumenten het volgende beleidskader toepast.

In beginsel mag de toegestane ammoniakdepositie niet meer bedragen dan de natuurlijke achtergronddepositie. Hiervoor wordt aangesloten bij de Interimwet ammoniak en veehouderij. In artikel 4 van deze wet is voor de depositie een grenswaarde gesteld van 15 mol/ha/jaar.

Tot het moment dat vergunningverlening op grond van de Natuurbeschermingswet kan worden gebaseerd op een nadere invulling van het vereiste bijzondere beschermingsniveau wordt het stand still-beginsel gehanteerd. Dit beginsel houdt in dat de ammoniakdepositie in de nieuwe, gewenste situatie niet hoger mag zijn dan in de oude situatie. De beslissende datum is daarbij die van de aanwijzing van het desbetreffende gebied als beschermd natuurmonument. Uitgangspunt voor de beoordeling van de vergunningaanvraag is: geen toename van de individuele depositie van een veehouderij. Aan bestaande bedrijven waarvoor een milieuvergunning is verleend, zal - tijdelijk - in beginsel ook een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet kunnen worden verleend.

In een aantal gevallen zal een individuele beoordeling moeten blijven plaatsvinden om invulling te kunnen geven aan het bijzondere beschermingsniveau voor de aangewezen gebieden. Hiervoor bestaat aanleiding indien de door het bedrijf veroorzaakte ammoniakdepositie groter is dan 600 mol/ha/jaar. Deze waarde sluit aan bij de in het Tweede Nationaal Milieubeleidsplan vermelde richtwaarde voor ammoniakdepositie in het jaar 2010.

De beoordeling van de vergunningaanvraag op grond van de Natuurbeschermingswet zal dan plaatsvinden aan de hand van de ter plaatse aanwezige achtergronddepositie, de hoogte van de individuele depositie van het bedrijf en de aanwezige en te beschermen natuurwetenschappelijke waarden in het aangewezen gebied. Deze beoordeling kan ertoe leiden dat in bepaalde gevallen de vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet niet wordt verleend, dan wel onder nader te bepalen voorwaarden wordt verleend.

De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat dit beleid weliswaar specifiek betrekking heeft op landbouwbedrijven, buiten een natuurmonument, maar dat dit ook gehanteerd kan worden in een situatie als deze, waarbij een manege in een natuurmonument ligt in plaats van erbuiten.

De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dit beleid niet in het nadeel van appellante is, nu de gevolgen van depositie voor het natuurmonument ernstiger zijn indien het bedrijf binnen een natuurmonument ligt, dan erbuiten.

2.6.1. Verweerder heeft er op gewezen dat de ammoniakdepositie van het bedrijf ten tijde van de aanwijzing van “De Brunssummerheide” als beschermd natuurmonument 2100 mol/ha/jaar en de achtergronddepositie ter plaatse van het natuurmonument 1160 mol/ha/jaar bedroegen. Nu de ammoniakdepositie meer dan 600 mol/ha/jaar bedroeg heeft verweerder een individuele beoordeling toegepast, die heeft geleid tot het verlenen van een tijdelijke vergunning.

2.7. De negatieve activiteiten die samenhangen met de aanwezigheid van de manege zijn in het besluit van verweerder van 15 december 1995 expliciet aangewezen om te worden beëindigd of verplaatst naar een plaats buiten het natuurmonument.

Gelet hierop is, naar het oordeel van de Afdeling, het standpunt van verweerder dat de voor de natuurwaarden nadelige gevolgen van de exploitatie van de desbetreffende manege niet kunnen worden ondervangen door voorwaarden en dat derhalve het verlenen van een tijdelijke vergunning in de rede ligt, niet onredelijk. Dat de manege al veertig jaar op deze plaats is gevestigd maakt dit oordeel niet anders. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat verweerder niet uitsluit dat de vergunning opnieuw zal worden verleend na afloop van de termijn, maar dat hij de situatie na afloop van de termijn opnieuw wil beoordelen aan de hand van de ammoniakdepositie op dat moment en de gepleegde inspanning om een alternatieve plaats te vinden.

Dat de recreatieve druk, die ook als schadelijk voor het natuurmonument wordt ervaren, niet af zal nemen bij verplaatsing van de manege buiten het natuurmonument maakt het oordeel evenmin anders. Immers het grootste deel van de ammoniak zal bij verplaatsing in elk geval niet meer in het natuurmonument belanden. Voorts heeft verweerder ter zitting laten weten dat er aan een beheersplan wordt gewerkt waarin reeds rekening is gehouden met de verplaatsing van de manege en waarin wordt voorzien in een goede geleiding van de ruiters over paden.

2.8. Het argument van appellante dat direct naast de manege andere bebouwing staat die niet behoeft te worden verplaatst, acht de Afdeling niet toereikend voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat deze bebouwing, anders dan de manege, buiten het natuurmonument staat en dat de activiteiten vanuit deze bebouwing niet tot aantasting van de waarden in het natuurmonument leiden. Vanuit deze bebouwing vindt immers geen uitstoot van ammoniak plaats.

Deze bebouwing is, anders dan de negatieve activiteiten die samenhangen met de exploitatie van de manege, dan ook niet expliciet in het besluit van verweerder van 15 december 1995 aangewezen om te worden beëindigd of verplaatst naar een plaats buiten het natuurmonument.

2.9. De omstandigheid dat de erfpachtovereenkomst tussen appellante en de gemeente Brunssum niet meer zal worden verlengd, hetgeen betekent dat de manege toch uiterlijk op 1 mei 2018 verplaatst zal moeten zijn, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit.

De Afdeling overweegt dat verweerder, gelet op het in overweging 2.6. beschreven beleid dat de schadelijke activiteiten niet mogen toenemen, doch veeleer moeten afnemen, in redelijkheid aan de belangen van de bescherming van het natuurmonument een groot gewicht heeft mogen toekennen. Dit betekent dat het niet onredelijk is dat verweerder de voorkeur heeft gegeven aan verplaatsing van de manege op een eerder tijdstip dan de in de erfpachtovereenkomst genoemde datum.

2.10. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel, dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.

Het beroep is derhalve ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en

mr. J.G.C. Wiebenga en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Bindels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

85-449.