Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9262

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200302928/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 24 april 2001 heeft appellant het college van burgemeester en wethouders van Schijndel (hierna: het college) verzocht om een beschikking op hoofdlijnen terzake van de toelaatbaarheid van zijn bedrijf op grond van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan “Duin” dan wel om vrijstelling van de die voorschriften.

Bij brief van 5 juni 2001 heeft het college aan appellant medegedeeld dat in de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Duin" detailhandel is uitgesloten.

Bij besluit van 17 juli 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 maart 2003, verzonden op 24 maart 2003, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302928/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 maart 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Schijndel.

1. Procesverloop

Bij brief van 24 april 2001 heeft appellant het college van burgemeester en wethouders van Schijndel (hierna: het college) verzocht om een beschikking op hoofdlijnen terzake van de toelaatbaarheid van zijn bedrijf op grond van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan “Duin” dan wel om vrijstelling van de die voorschriften.

Bij brief van 5 juni 2001 heeft het college aan appellant medegedeeld dat in de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Duin" detailhandel is uitgesloten.

Bij besluit van 17 juli 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 maart 2003, verzonden op 24 maart 2003, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], juridisch en bestuurlijk adviseur te Boekel, en het college, vertegenwoordigd door J.W.A.N. Aalders, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen sprake is omdat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en dat het in de brief van het college van 5 juni 2001 neergelegde standpunt daarom niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, kan worden aangemerkt.

2.2. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

2.3. Bij brief van 24 april 2001 heeft appellant het college verzocht om “een beschikking op hoofdlijnen terzake van de toelaatbaarheid op grond van betreffende bestemmingsplanvoorschriften dan wel het inherente verzoek om vrijstelling van de geldende bestemmingsplanvoorschriften”. Ter zitting heeft appellant verklaard dat daarmee is beoogd een besluit van het college te verkrijgen ten aanzien van de mogelijkheden zijn bedrijf te vestigen binnen het gebied waarop het bestemmingsplan “Duin” van toepassing is.

2.4. Het verzoek van appellant heeft geen betrekking op het in gebruik nemen van een concreet pand, maar op het gehele bestemmingsplangebied. Dit verzoek is te onbepaald en kon daarom uitsluitend worden aangemerkt als een verzoek om informatie. Het daarop bij brief van 5 juni 2001 door het college gegeven antwoord, dat het geen positieve of negatieve beschikking kan geven, maar uitsluitend informatie over de voorschriften van en de toelichting bij het bestemmingsplan, is dan ook niet op rechtsgevolg gericht en is derhalve geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, voornoemd. Het college heeft het daartegen gerichte bezwaar van appellant dan ook terecht bij de bestreden beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is ook tot die slotsom gekomen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

47-380.