Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200301339/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2003, kenmerk 2002-016, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Verenigde bedrijven Noord Nederlandse Draadindustrie B.V.” een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een groothandel in staal en buizen gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummers [-][-]. Dit besluit is op 22 januari 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200301339/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2003, kenmerk 2002-016, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Verenigde bedrijven Noord Nederlandse Draadindustrie B.V.” een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een groothandel in staal en buizen gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummers [-][-]. Dit besluit is op 22 januari 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 28 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 7 juli 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr J.W. Kloppenburg, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een revisievergunning verleend voor een groothandel in staal en buizen vanwege de uitbreiding van de inrichting met een nieuwe hal. In de inrichting zijn twee computergestuurde zaagmachines aanwezig waarmee minder dan 5% van de buizen en balken voor de klanten op maat worden gemaakt. De inrichting is gesitueerd op een bedrijventerrein. De woning van appellant bevindt zich op 25 meter van de nieuw te realiseren hal.

2.2. Appellant is bevreesd voor geluidhinder.

2.3. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel geldt dit verbod niet voor inrichtingen, behorende tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer is aangewezen, behoudens in gevallen waarin krachtens de tweede volzin van dat lid, de bij die maatregel gestelde regels niet gelden voor een zodanige inrichting.

2.4. Op 1 oktober 2000 is het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (Stb. 2000, 262: hierna: het Besluit) in werking getreden. Het Besluit is een algemene maatregel van bestuur krachtens evengenoemd artikel 8.40, eerste lid.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit is het van toepassing op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor het opslaan, overslaan en transporteren over de weg, van goederen of producten. Bij het beantwoorden van de vraag of de inrichting in hoofdzaak bestemd is voor het opslaan, overslaan en transporteren over de weg van goederen kan een aanwijzing zijn of de nevenactiviteiten, het voor de klant op maat maken van minder dan 5 procent van de buizen en balken, een zodanige omvang hebben dat deze, als afzonderlijke activiteiten beschouwd, zouden hebben te gelden als inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer. In het onderhavige geval overheersen echter de activiteiten die betrekking hebben op het opslaan, overslaan en transporteren over de weg van goederen, gelet op hun aard en omvang, zodanig dat de inrichting reeds daarom geacht moet worden daarvoor in hoofdzaak bestemd te zijn.

Gelet hierop, alsmede gezien het feit dat geen van de in artikel 3 van het Besluit genoemde omstandigheden zich voordoet, is het Besluit op de onderhavige inrichting van toepassing. Dit betekent dat met ingang van 1 oktober 2000 de vergunningplicht voor deze inrichting is komen te vervallen.

2.5. Gelet op het voorgaande en aangezien ook overigens niet is gebleken dat appellant nog processueel belang heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, waarbij ten behoeve van de betrokken inrichting een revisievergunning is verleend, dient het beroep

niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Brugman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

205.