Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9257

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200301228/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2000 heeft de gemeenteraad van Aalburg, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 maart 2000, vastgesteld het bestemmingsplan “Wijk en Aalburg”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301228/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2000 heeft de gemeenteraad van Aalburg, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 maart 2000, vastgesteld het bestemmingsplan “Wijk en Aalburg”.

Verweerder heeft bij besluit van 24 oktober 2000, nr. 679522, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Dit besluit is door de Afdeling gedeeltelijk vernietigd bij haar uitspraak van 13 november 2002, nr. 200005401/1.

Verweerder heeft bij besluit van 17 december 2002, nr. 679522, opnieuw over de goedkeuring van het plan beslist.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 24 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 5 juni 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2003, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Aalburg, vertegenwoordigd door mr. G. Verweij, ambtenaar van de gemeente. Tevens is daar verschenen [eerste belanghebbende], bijgestaan door mr. J.J. Jaspers, advocaat te Tilburg.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plan heeft, voorzover hier van belang, betrekking op een perceel aan de Kortestraat, dat in het noorden grenst aan het perceel van appellant.

2.4. Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit het plan voorzover het betrekking heeft op de aanduiding “bebouwingsgrens II” voor het perceel aan de Kortestraat, in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft in zoverre goedkeuring aan het plan onthouden. Hij heeft daarbij verwezen naar hetgeen de Afdeling in haar uitspraak van 13 november 2002 heeft overwogen.

Tevens heeft verweerder van belang geacht dat van doorzichten naar het buitengebied op het desbetreffende perceel slechts in beperkte mate sprake is. Hij acht het dan ook niet gerechtvaardigd dat het plan door middel van de genoemde aanduiding in de weg staat aan een bouwmogelijkheid bij recht voor een woning op dit perceel.

2.5. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte aanleiding heeft gezien goedkeuring te onthouden aan de aanduiding “bebouwingsgrens II” voor het perceel aan de Kortestraat. Appellant heeft hiertoe aangevoerd dat hij het onwenselijk acht een woning bij recht toe te staan op het aangrenzende perceel. Hij stelt dat de bouw van een woning ter plaatse het bebouwingsritme zal verstoren, alsmede een beperking van het doorzicht naar de Maas en/of het buitengebied met zich mee zal brengen. Voorts vreest hij dat het toekennen van een dergelijke bouwmogelijkheid een zekere precedentwerking zal hebben, ten gevolge waarvan de oude binnenstad over enkele jaren zal zijn versteend. Tevens acht hij het desbetreffende perceel te smal voor de bouw van een woning.

Verder vreest appellant dat de bouw van een woning zal leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat, met name in de vorm van een verminderde daglichttoetreding.

2.6. Aan het perceel aan de Kortestraat is in het plan de bestemming “Wonen-B” toegekend met de nadere aanduidingen “I“ (goothoogte lager dan 4 meter) en “O” (open bebouwing). Op grond van artikel 3, lid A2, onder 2, sub b, van de planvoorschriften is binnen deze bestemming wonen uitsluitend toegestaan in het hoofdgebouw. Ingevolge artikel 3, lid B, onder 2, sub a, dient de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gesitueerd in of achter de aanduiding “Bebouwingsgrens I”. Op de plankaart is ter plaatse van het perceel de aanduiding “Bebouwingsgrens II” aangegeven waarmee is beoogd aan het desbetreffende perceel geen directe bouwtitel toe te kennen. De in artikel 3, lid F, onder II, opgenomen wijzigingsbevoegdheid maakt het mogelijk om de aanduiding “Bebouwingsgrens II” te wijzigen in “Bebouwingsgrens I” waardoor ter plaatse een woningbouwmogelijkheid kan worden gecreëerd.

2.6.1. Wat betreft het bezwaar van appellant betreffende de verstoring van het bebouwingsritme overweegt de Afdeling overeenkomstig het overwogene in haar uitspraak van 13 november 2002, dat het enkele feit dat de bebouwing op het desbetreffende perceel wordt beschouwd als verstoring van het bebouwingsritme onvoldoende reden is om woningbouw op dit perceel uit te sluiten.

Ten aanzien van het doorzicht naar de Maas en/of het buitengebied heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op het desbetreffende perceel slechts sprake is van een beperkte visuele relatie met het buitengebied, aangezien op ongeveer 50 meter vanaf de achterste grens van het desbetreffende perceel reeds hoge kassen zijn gesitueerd.

Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de bouw van een woning op het perceel verstening van de oude dorpskern met zich brengt.

Het desbetreffende perceel heeft aan de voorzijde een breedte van ongeveer 14,35 meter en aan de achterzijde een breedte van ongeveer 12,75 meter. Niet aannemelijk is dat deze afmetingen van het perceel aan de bouw van een woning ter plaatse in de weg staan.

Voorts is niet gebleken dat de bouw van een woning op het desbetreffende perceel er toe zal leiden dat de daglichttoetreding in de woning van appellant onvoldoende zal zijn.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

270-425.