Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200302953/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juli 2002 heeft verweerder appellante lasten onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd van:

1. € 8.480,00 per geconstateerde overtreding (gerekend in een tijdsperiode van drie kalenderweken of gedeelte daarvan) dat in strijd met artikel 8.1, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer mest- of vleesvarkens in de inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats] worden gehouden, met een maximum van € 84.800,00;

2. € 2.077,00 per geconstateerde overtreding (gerekend in een tijdsperiode van drie kalenderweken of gedeelte daarvan) dat in de inrichting meer melkrundvee wordt gehouden dan het aantal dat is genoemd in voorschrift A.8 van de door verweerder op 24 november 1987 krachtens de Hinderwet verleende vergunning, met een maximum van € 20.770,00;

3. € 500,00 per geconstateerde overtreding (gerekend in een tijdsperiode van drie kalenderweken of gedeelte daarvan) dat meer jongvee in de inrichting wordt gehouden dan het aantal dat is genoemd in voorschrift A.8 van de vigerende vergunning van 1987, met een maximum van € 5.000,00;

4. € 150,00 per geconstateerde overtreding (gerekend in een tijdsperiode van drie kalenderweken of gedeelte daarvan) dat andere diersoorten in de inrichting aanwezig zijn dan die welke conform de vergunning van 1987 zijn toegestaan, met een maximum van € 1.500,00.

Voor de lasten geldt een begunstigingstermijn van vier maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302953/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Woerden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2002 heeft verweerder appellante lasten onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd van:

1. € 8.480,00 per geconstateerde overtreding (gerekend in een tijdsperiode van drie kalenderweken of gedeelte daarvan) dat in strijd met artikel 8.1, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer mest- of vleesvarkens in de inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats] worden gehouden, met een maximum van € 84.800,00;

2. € 2.077,00 per geconstateerde overtreding (gerekend in een tijdsperiode van drie kalenderweken of gedeelte daarvan) dat in de inrichting meer melkrundvee wordt gehouden dan het aantal dat is genoemd in voorschrift A.8 van de door verweerder op 24 november 1987 krachtens de Hinderwet verleende vergunning, met een maximum van € 20.770,00;

3. € 500,00 per geconstateerde overtreding (gerekend in een tijdsperiode van drie kalenderweken of gedeelte daarvan) dat meer jongvee in de inrichting wordt gehouden dan het aantal dat is genoemd in voorschrift A.8 van de vigerende vergunning van 1987, met een maximum van € 5.000,00;

4. € 150,00 per geconstateerde overtreding (gerekend in een tijdsperiode van drie kalenderweken of gedeelte daarvan) dat andere diersoorten in de inrichting aanwezig zijn dan die welke conform de vergunning van 1987 zijn toegestaan, met een maximum van € 1.500,00.

Voor de lasten geldt een begunstigingstermijn van vier maanden.

Bij besluit van 27 maart 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 16 juli 2002 wat betreft de lasten 2 en 4 herroepen, en wat betreft de lasten 1 en 3 gehandhaafd met dien verstande dat per geconstateerde overtreding (gerekend in een tijdsperiode van drie kalenderweken of gedeelte daarvan) een dwangsom wordt verbeurd van respectievelijk € 4.240,00 met een maximum van € 42.400,00 en € 250,00 met een maximum van € 2.500,00.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 8 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 juni 2003.

Bij brief van 30 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2003, waar [appellanten], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door J. Verheul en J. Pronk, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Ingevolge het vijfde lid wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting in werking te hebben.

Ingevolge voorschrift A.8, voorzover hier van belang, mogen in de inrichting niet meer dan 110 stuks melkvee en 25 stuks jongvee worden gehouden.

2.2. Niet in geschil is dat in strijd met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer vleesvarkens, en in strijd met voorschrift A.8 van de voor de inrichting geldende vergunning meer dan 25 stuks jongvee, in de inrichting zijn gehouden. Verweerder is in zoverre bevoegd tot het opleggen van de lasten 1 en 3.

2.3. Appellante heeft betoogd dat verweerder in redelijkheid de lasten 1 en 3 niet heeft kunnen opleggen. Ten aanzien van last 1 heeft zij aangevoerd dat reeds sinds de jaren vijftig vleesvarkens in de inrichting zijn gehouden. Thans wil zij de varkensstal verplaatsen, maar verweerder verleent daaraan ten onrechte zijn medewerking niet, aldus appellante. Verder heeft zij aangevoerd dat het houden van vleesvarkens tijdelijk kan worden gelegaliseerd. Ten aanzien van last 3 heeft appellante aangevoerd dat voor een goede opbouw van de melkveestapel het noodzakelijk is om meer dan 25 stuks jongvee te kunnen houden. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat, voorzover het op grond van artikel 8.1, derde lid, van de Wet milieubeheer niet mogelijk is om meer dan 25 stuks jongvee in de inrichting te houden, het houden van meer dan 25 stuks jongvee kan worden gelegaliseerd.

2.3.1. De Afdeling stelt vast dat verweerder in 1987 de door appellante gevraagde vergunning voor het houden van vleesvarkens heeft geweigerd in verband met daarvan te duchten stankhinder en dat hij bij besluit van 12 februari 1997 handhavend is opgetreden tegen het houden van deze dieren in de inrichting. Mede gelet hierop kan appellante aan de omstandigheid dat reeds jarenlang vleesvarkens in de inrichting worden gehouden, wat hier overigens ook van zij, niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat verweerder niet handhavend zou optreden.

Niet is gebleken dat appellante ten tijde van het bestreden besluit voor wat betreft het houden van varkens in de inrichting een ontvankelijke aanvraag voor een wijzigingsvergunning had ingediend waardoor een concreet uitzicht bestond op legalisering van de met artikel 8.1, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer strijdige situatie. Evenmin is gebleken – wat ook zij van de medewerking van verweerder – dat ten tijde van het bestreden besluit binnen afzienbare termijn de varkensstal zou worden verplaatst naar een andere locatie.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, houdt artikel 8.1, derde lid, van de Wet milieubeheer niet in dat, indien minder dan 110 stuks melkvee in de inrichting worden gehouden, meer dan 25 stuks jongvee in de inrichting mogen worden gehouden. Dit is namelijk niet in overeenstemming met voorschrift A.8. Indien appellante meer dan 25 stuks jongvee in de inrichting wil houden dan dient daarvoor, indien mogelijk, de voor de inrichting verleende vergunning te worden gewijzigd. Niet gebleken is dat appellante ten tijde van het bestreden besluit voor wat betreft het houden van jongvee in de inrichting een ontvankelijke aanvraag voor een wijzigings-vergunning had ingediend waardoor een concreet uitzicht bestond op legalisering van de met voorschrift A.8 strijdige situatie.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het opleggen van de lasten 1 en 3.

2.4. Appellante heeft aangevoerd dat de begunstigingstermijn van last 1 ten onrechte niet overeenkomt met de termijn die nodig is voor de bouw van een nieuwe varkensstal op een andere locatie.

De Afdeling overweegt dat gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting een begunstigingstermijn van vier maanden voldoende moet worden geacht om last 1 te kunnen uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Dat binnen die termijn op een andere locatie geen stal kon worden gebouwd, wat daarvan ook zij, doet aan het vorenstaande niet af. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder op goede gronden de begunstigingstermijn van last 1 kunnen vaststellen op vier maanden.

2.5. Appellante heeft betoogd dat de dwangsommen onredelijk hoog zijn.

Verweerder heeft de hoogte van de dwangsommen gemotiveerd door te wijzen op het te verwachten economische voordeel en de mate waarin de dwangsommen een voldoende financiële prikkel geven om de overtredingen te beëindigen. Mede gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de hoogte van dwangsommen niet in een redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking.

2.6. Appellante heeft betoogd dat verweerder ten onrechte niet heeft beslist op haar verzoek om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.

De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat verweerder bij de bestreden beslissing op bezwaar niet heeft beslist op het door appellante eerder gedane verzoek om vergoeding van de kosten voor juridische bijstand. Verweerder heeft aldus gehandeld in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht waarin is bepaald, voorzover hier van belang, dat het bestuursorgaan op het verzoek beslist bij de beslissing op bezwaar. Het beroep treft in zoverre doel.

2.7. Gelet op het vorenstaande is het beroep gedeeltelijk gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd voorzover verweerder in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet heeft beslist op het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal hiertoe een termijn stellen.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Woerden van 27 maart 2003, voorzover niet is beslist op het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Woerden op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Woerden in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 351,67, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Woerden te worden betaald aan appellante;

VI. gelast dat de gemeente Woerden aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

312-399.