Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9254

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200301225/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het dagelijks bestuur van 11 juni 2002, het bestemmingsplan "Marcanti-eiland" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/387
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301225/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "De Hollandsche Molen, Vereniging tot Behoud van Molens in Nederland", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het dagelijks bestuur van 11 juni 2002, het bestemmingsplan "Marcanti-eiland" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 januari 2003, kenmerk 2002-26318, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 18 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 april 2003.

Bij brief van 9 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 september 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.H. van Meurs, advocaat te Rotterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts is daar verschenen en door de Afdeling gehoord de stadsdeelraad van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door F.J.M. Kloostra, R. Schouten, P. Koster en J. Hartog, ambtenaren van het stadsdeel en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder te noemen: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad, in dit geval de stadsdeelraad, toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op een schiereiland aan de Jan van Galenstraat in het stadsdeel Westerpark te Amsterdam, het zogenoemde Marcanti-eiland. Met het plan wordt beoogd de huidige situatie juridisch-planologisch vast te leggen en nieuwe bouwinitiatieven mogelijk te maken, waarbij de potentie van het gebied als wooneiland optimaal kan worden benut.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellante voert in beroep aan dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Zij stelt allereerst dat de stadsdeelraad een aantal procedurefouten heeft gemaakt.

2.3.1. Volgens appellante is het ontwerpbestemmingsplan twee keer ter inzage gelegd en bevatte het tweede ontwerpplan wijzigingen ten opzichte van het eerste ontwerpplan. Dit acht zij niet juist.

Dienaangaande overweegt de Afdeling dat een tweede terinzagelegging noodzakelijk was omdat de termijn van de eerste terinzagelegging niet voldeed aan de wettelijke termijn. Er bestaat geen grond voor de stelling dat de stadsdeelraad tussentijds wijzigingen heeft aangebracht in het ontwerpplan.

2.3.2. Appellante voert aan dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg niet betrokken is bij het overleg op grond van artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (verder te noemen: het Bro).

Ingevolge artikel 10 van het Bro, voorzover thans van belang, plegen burgemeester en wethouders, in dit geval het dagelijks bestuur van het stadsdeel, bij de voorbereiding van een bestemmingsplan waar nodig overleg met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening alsmede met die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Uit de stukken blijkt dat het dagelijks bestuur op 20 juli 2000 in het kader van het overleg op grond van artikel 10 van het Bro een concept-ontwerp van het bestemmingsplan aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft gezonden. De Rijksdienst heeft op 15 september 2000 geantwoord dat het plan vanuit een oogpunt van monumentenzorg geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat het ontwerpplan na de eerste tervisielegging niet is gewijzigd, bestaat geen grond voor het oordeel dat niet zou zijn voldaan aan het vereiste van artikel 10 van het Bro.

2.3.3. Appellante stelt verder dat het dagelijks bestuur de stadsdeelraad onder druk heeft gezet om een besluit te nemen. Daarbij zou zijn verzuimd om een hoorzitting te houden, hetgeen volgens appellante in strijd is met artikel 23, eerste lid, van de WRO.

Dienaangaande blijkt uit de stukken dat naar aanleiding van de eerste tervisielegging van het ontwerpplan een uitgebreide behandeling in de stadsdeelraadscommissie Wonen/Werken heeft plaatsgevonden, waarbij de indieners van zienswijzen zijn gehoord. Naar aanleiding van de tweede tervisielegging van het ontwerpplan heeft behandeling in een vergadering van de stadsdeelraad plaatsgevonden. Daarbij zijn de indieners van zienswijzen in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen mondeling toe te lichten. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de stadsdeelraad onder druk is gezet of dat overigens is gehandeld in strijd met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Dat de stadsdeelraad tussentijds van samenstelling is veranderd, kan hier niet aan afdoen.

2.3.4. Volgens appellante heeft het stadsdeelbestuur verzuimd haar op de hoogte te stellen van het besluit van verweerder inzake de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Dit bezwaar heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. Appellante voert in beroep verder aan dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voorzover hierin hoogbouw tot een hoogte van 50 meter wordt toegestaan. Zij stelt dat de voorziene hoogbouw een onaanvaardbare negatieve invloed heeft op de windsituatie bij houtzaagmolen [naam] en dientengevolge op de bedrijfsvoering van de molen. Volgens appellante zijn bij het uitgevoerde onderzoek verkeerde uitgangspunten en randvoorwaarden gehanteerd. Bovendien wordt te veel met kleine deelbesluiten en ad hoc-beslissingen gewerkt waardoor een totaalvisie op de omgeving ontbreekt, zo stelt appellante. Zij wenst een nieuw onderzoek, waarbij de te gebruiken methodiek zal worden vastgesteld in overleg met [deskundige] van de Technische Hogeschool Delft, de molenaar [naam], appellante, de stadsdeelraad en de firma [naam].

2.4.1. De stadsdeelraad heeft aan een aantal delen van het plan de bestemming “Woondoeleinden” toegekend. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het plan zijn gronden met deze bestemming aangewezen voor gebouwen, bevattende gestapelde woningen en wooneenheden met inbegrip van daarbij behorende bergingen en andere nevenruimten. Ingevolge het derde lid van dit artikel in samenhang met de plankaart geldt voor het plandeel waar de bezwaren van appellante betrekking op hebben als maximum bouwhoogte 50 meter.

2.4.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit deel goedgekeurd. Hij heeft hiertoe overwogen dat de gevolgen van de geprojecteerde hoogbouw op de omgeving voldoende en op zorgvuldige wijze zijn onderzocht en dat de conclusie is gerechtvaardigd, dat het opnemen in het bestemmingsplan van een woontoren van 50 meter hoog geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor dit gebied.

2.4.3. Houtzaagmolen [naam] bevindt zich op een afstand van ongeveer 250 meter van de in het bestemmingsplan voorziene hoogbouw, de zogenoemde Marcanti-toren. De molen is een Rijksmonument en niet meer bedrijfsmatig in gebruik. De molen wordt nog wel gebruikt om hout te zagen, omdat het voor het behoud van de molen van belang is dat deze regelmatig kan draaien. Met het draaien van de molen worden materiaaltechnische, cultuurhistorische, toeristische en educatieve belangen gediend.

Uit de stukken blijkt dat een aantal onderzoeken is uitgevoerd naar de gevolgen van hoogbouw op de windsituatie in de omgeving, in het bijzonder bij molen [naam]. Het betreft de onderzoeken “Windtunnelonderzoek” (Adviesbureau [naam], rapport G 2711-1 van 24 april 1997), “Hoogbouw Effect Rapportage Marcanti” (Adviesbureau [naam]., rapport GW 2711-1 van januari 2000) met als bijlage een windhinderonderzoek van 25 november 1999, “Rapport Molen [naam] te Amsterdam, Windtunnelonderzoek” (Adviesbureau [naam]., rapport WG 2711-1 van 3 juni 2002) en “Rapport Molen [naam] te Amsterdam, Vervolg windtunnelonderzoek (Gillis II)” (Adviesbureau [naam], rapport WG 2711-2 van 9 september 2002). In de onderzoeken is gewerkt met een maquette van de omgeving. Daarin is de in het bestemmingsplan voorziene hoogbouw, de Marcanti-toren, verwerkt, evenals andere hoge gebouwen in de omgeving, waaronder de gebouwen Gillis I en Gillis II.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling niet aannemelijk geworden dat de hiervoor genoemde onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren.

Uit de onderzoeken blijkt dat de beoogde hoogbouw weliswaar effect zal hebben op het windklimaat op enige afstand van de toren, maar dat nog steeds sprake zal zijn van een acceptabel windklimaat. Ook het functioneren van de molen [naam] zal worden beïnvloed, maar de afname van het aantal mogelijke draaiuren van de molen als gevolg van de Marcanti-toren is relatief gering.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang dat is gediend bij voldoende woningen en voorzieningen, dan aan de belangen van molen [naam] die zijn gediend bij een zo goed mogelijk windklimaat. Daarbij neemt zij mede in aanmerking dat de molen niet bedrijfsmatig in gebruik is en aannemelijk is dat andere oplossingen denkbaar zijn voor de achteruitgang in de windsituatie, waaronder de aanstelling van meer molenaars. Dienaangaande is gebleken dat de molen gebruikt kan worden voor het opleiden van leerlingmolenaars en dat het stadsdeelbestuur heeft aangegeven bereid te zijn medewerking te verlenen bij het vinden van extra molenaars.

2.5. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en mr. A. Kosto, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Van den Berg

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

350.