Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9252

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200300817/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Jacobswoude, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 april 2002, het bestemmingsplan "Bospolder" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300817/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Jacobswoude, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 april 2002, het bestemmingsplan "Bospolder" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 december 2002, kenmerk DRM/ARB/02/3890A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 7 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 maart 2003.

Bij brief van 12 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 augustus 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en van de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2003, waar appellanten, bijgestaan door mr. R.A.M. Schram, advocaat te Haarlem, en verweerder, vertegenwoordigd door A.D. van den Dries, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de gemeenteraad van Jacobswoude, vertegenwoordigd door drs. D.H. Verhagen, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet onder meer in de uitbreiding van [partij] en de vestiging van enkele andere bedrijven.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder gedeeltelijk goedkeuring onthouden aan het plan.

2.3. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het op de plankaart gewaarmerkte plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-". Appellanten voeren daarbij aan dat hierdoor nog maar op een maximale oppervlakte van 1125 m² kan worden gebouwd, hetgeen in strijd is met de uitgangspunten van verweerder, en voorts dat een deel van deze gronden reeds geruime tijd in gebruik is bij het bedrijf en dat dit gebruik positief bestemd zou moeten worden. Ook wijzen appellanten erop dat verweerder heeft ingestemd met het Inrichtingsmodel 2, dat op deze plaats wel voorziet in een bedrijfsbestemming.

Daarnaast stellen appellanten dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bevoegdheid tot het wijzigen van de woonbestemming van het perceel [locatie].

Voorts menen appellanten dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de vrijstellingsbevoegdheid om het bebouwingsvlak te verruimen tot maximaal 3400 m². In dit geval is er volgens appellanten een bijzondere situatie, die deze uitbreiding rechtvaardigt.

2.4. De gemeenteraad heeft, voor zover van belang, het perceel [locatie] een woonbestemming gegeven en het omringende terrein grotendeels een bedrijfsbestemming toegekend. De gemeenteraad heeft een bebouwingsvlak van maximaal 3400 m² aanvaardbaar geacht voor een bedrijfsterrein in deze situatie.

2.5. Verweerder heeft deze onderdelen van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gemeenteraad zonder goede belangenafweging twee met elkaar conflicterende bestemmingen heeft gelegd. Voorts acht verweerder de extra uitbreidingsmogelijkheid van het bebouwingsvlak tot 3400 m² planologisch niet verenigbaar met zijn beleid.

2.6. Vast staat dat het bedrijfsterrein zich bevindt in het buitengebied en dat in de huidige situatie 1690 m² van de totale oppervlakte van ongeveer 9600 m² ten behoeve van het bedrijf bebouwd is. In de Nota Planbeoordeling 2002 van de provincie Zuid-Holland is met betrekking tot bestaande niet-agrarische bedrijven in het buitengebied bepaald dat is toegestaan een eenmalige uitbreiding tot maximaal 10% van de bestaande bebouwing of bij uitzondering via vrijstelling een uitbreiding van 30%. In dit geval acht verweerder in zoverre een uitzonderingssituatie aanwezig dat hij heeft ingestemd met een uitbreiding bij recht van 30%, waardoor de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" een bebouwd grondoppervlak van maximaal 2200 m² mogen hebben.

2.7. Voorzover appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het op de plankaart met een rode lijn aangegeven gebied met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-", overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 7, lid AI, onder 1a en 1b, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" bestemd voor een aannemersbedrijf voor sloopwerkzaamheden met daarbij behorende detailhandel in sloopzaken en voor verzorgende, ambachtelijke bedrijven, aannemersbedrijven en agrarische hulp- en nevenbedrijven. Toegestaan zijn bedrijven die genoemd worden in categorie 1, 2 of 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, waarbij geldt dat bedrijven behorend tot categorie 3 een maximale milieuhindercontour van 50 meter mogen hebben, en daarnaast bedrijven die in milieuplanologisch opzicht gelijk te stellen zijn met bedrijven als genoemd in categorie 1, 2 of 3 met een maximale milieuhindercontour van 50 meter.

Ingevolge de plankaart grenst het perceel [locatie] aan drie kanten aan gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" en heeft dit perceel de bestemming "Woondoeleinden -W-, tuin of onbebouwd erf (t), erf (e)". Ingevolge artikel 7, lid BI, aanhef en onder a3, moet, zolang deze woonbestemming geldt voor het perceel [locatie] de afstand van de gebouwen binnen de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" tot het hoofdgebouw op het perceel [locatie] tenminste gelijk zijn aan de hoogte van de nieuw op te richten gebouwen. Ingevolge artikel 7, lid BI, onder c2, is de maximum toegestane hoogte voor deze gebouwen 6 meter. Aangezien de afstand van de woning tot het bebouwingsvlak van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" ingevolge de plankaart aan een zijde 10 meter en aan twee andere zijden 5 meter is, is op zeer korte afstand van deze woning bedrijfsbebouwing mogelijk.

Nu het plan bedrijfsbebouwing met een milieuhindercontour tot 50 meter mogelijk maakt op een afstand van 5 meter tot de woning [locatie] heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" niet te combineren is met de aan die bestemming grenzende woonbestemming voor het perceel [locatie] De stelling van appellanten dat een deel van de gronden reeds lange tijd in gebruik is bij het bedrijf doet hier niet aan af.

Voorts treft de stelling van appellanten dat verweerder niet mag afwijken van zijn eerdere instemming met het Inrichtingsmodel 2 geen doel, nu het plan, in tegenstelling tot dit model, voorziet in een woonbestemming voor het perceel [locatie].

2.7.1. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat door deze onthouding van goedkeuring minder bebouwbaar oppervlak resteert dan 2200 m², wijst de Afdeling erop dat de gemeenteraad ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gehouden is binnen een jaar een nieuw bestemmingsplan vast te stellen, waarbij de aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegde motivering in acht dient te worden genomen. Het motief voor de onthouding van goedkeuring aan het desbetreffende plandeel ligt niet in het feit dat verweerder op deze plaats in het geheel geen bedrijfsbestemming wil toestaan, maar in het feit dat verweerder de in het plan voorziene mogelijkheid tot vestiging van bedrijven (in hindercategorie 3) niet verenigbaar acht met de woonbestemming. Deze motivering staat er niet aan in de weg dat de gemeenteraad een nieuw bestemmingsplan vaststelt dat voorziet in een totaal bebouwbaar grondoppervlak van 2200 m².

Nu de gemeenteraad als gevolg van de onthouding van goedkeuring een keuze zal moeten maken tussen een woon- dan wel een bedrijfsbestemming op de desbetreffende plaats, is de wijzigingsbevoegdheid van artikel 6, lid C, onder 1a, van de planvoorschriften overbodig geworden. De stelling van appellanten dat verweerder hieraan ten onrechte goedkeuring heeft onthouden, treft derhalve geen doel.

2.8. Ten aanzien van de wens van appellanten om op een grondoppervlak van 3400 m² bedrijfsbebouwing te mogen oprichten, overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 7, lid BI, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften, voorzover van belang, mogen op gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" gebouwen alleen worden opgericht binnen het op de kaart aangegeven bebouwingsvlak, waarbij de bebouwde oppervlakte van het bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan 25%, met dien verstande dat de totale grondoppervlakte van de bebouwing binnen het gehele bestemmingsvlak niet meer dan 2200 m² mag bedragen.

Ingevolge artikel 7, lid BII, onder 1a, van de planvoorschriften, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen voor het verhogen van het bebouwingspercentage tot maximaal 38%, tot een totale bebouwde oppervlakte van 3400 m². De Afdeling stelt vast dat deze vrijstellingsbepaling in strijd is met het hiervoor beschreven provinciale beleid. Het betoog van appellanten dat zich in dit geval een bijzondere situatie voordoet die een afwijking van dit beleid rechtvaardigt, heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling niet behoeven te volgen. In de door appellanten aangevoerde omstandigheid dat aankoop en verplaatsing van de woning [locatie] voor hen slechts financieel haalbaar is indien een maximaal te bebouwen oppervlak van 3400 m² wordt toegestaan, heeft verweerder, nu verplaatsing van deze woning geen voorwaarde is om een goede planologische invulling te geven aan het terrein, geen reden behoeven te zien af te wijken van zijn beleid. Verweerder heeft appellanten evenmin behoeven te volgen in hun stelling dat een bebouwingsoppervlak van 3400 m² een voorwaarde is voor het kunnen verwezenlijken van een kwalitatief hoogwaardige inrichting van het gebied, noch in hun stelling dat vanwege de wenselijkheid van sanering van de grond afwijking van het provinciale beleid noodzakelijk is.

In het kader van de procedure ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dient nader te worden bezien welke bouwmogelijkheden binnen de door verweerder gegeven grenzen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kunnen worden geboden. Hierbij dient de wenselijkheid van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied, mede gelet op de ter plaatse aanwezige infrastructuur, in aanmerking te worden genomen.

2.9. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan de desbetreffende onderdelen van het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003.

177-448.