Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9246

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200303201/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2003 heeft verweerder krachtens artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer de aan [partij sub 1] op 27 april 1993 verleende vergunning voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats] gedeeltelijk ingetrokken. Dit besluit is op 18 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 15 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303201/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2003 heeft verweerder krachtens artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer de aan [partij sub 1] op 27 april 1993 verleende vergunning voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats] gedeeltelijk ingetrokken. Dit besluit is op 18 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 15 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2003, waar appellant in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door H.J.M. Mattijssen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Eerst ter zitting heeft appellant betoogd dat [partij sub 1] niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het ontwerp van het besluit en dat hij geen vergunninghouder is. Het aanvoeren van deze gronden in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellant deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde gronden kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.2. Krachtens artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken op verzoek van de vergunninghouder, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

2.3. Appellant heeft betoogd dat het verzoek tot gedeeltelijke intrekking van de vergunning op een onjuiste wijze tot stand is gekomen. In dit verband heeft appellant aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan zijn verzoek tot het houden van een hoorzitting. Verder heeft appellant aangevoerd dat verweerder onvoldoende onpartijdig is geweest, aangezien hij [partij sub 1] heeft geholpen bij het opstellen van het verzoek om gedeeltelijke intrekking van de vergunning.

Op de totstandkoming van het bestreden besluit is paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De Afdeling overweegt dat deze paragraaf niet voorziet in de mogelijkheid tot het houden van een hoorzitting. Overigens is appellant blijkens de stukken op 6 februari 2003 in de gelegenheid gesteld mondeling te reageren op het ontwerp van het besluit.

Uit de enkele omstandigheid dat verweerder [partij sub 1] heeft geholpen bij het opstellen van het verzoek om gedeeltelijke intrekking van de vergunning kan niet worden geconcludeerd dat bij het nemen van het bestreden besluit sprake is geweest van vooringenomenheid. Het beroep van appellant treft in zoverre geen doel.

2.4. Appellant heeft betoogd dat het bestreden besluit ertoe leidt dat een procedure ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan worden gestart ten behoeve van het nabijgelegen perceel van [partij sub 2]. Hij acht dit onwenselijk.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, de vergunning van 27 april 1993 niet in redelijkheid gedeeltelijk heeft kunnen intrekken.

2.5. Appellant heeft betoogd dat het bestreden besluit ertoe leidt dat zonder toereikende vergunning dieren in de inrichting worden gehouden.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van handhavingmaatregelen indien zonder toereikende vergunning dieren in de inrichting worden gehouden.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

312-399.