Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9243

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200300367/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de gemeente Goirle een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een milieustraat voor de inname en opslag van afvalstoffen afkomstig van particulieren, een depot voor klein gevaarlijk afval en een kringloopbedrijf voor product- en materiaalhergebruik aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummer [-]. Dit besluit is op 16 december 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200300367/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de gemeente Goirle een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een milieustraat voor de inname en opslag van afvalstoffen afkomstig van particulieren, een depot voor klein gevaarlijk afval en een kringloopbedrijf voor product- en materiaalhergebruik aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummer [-]. Dit besluit is op 16 december 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2003, beroep ingesteld.

Bij ongedateerde brief heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 8 mei 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.J. van der Donk,

M.W.M.J. Middelkoop-Meijs en ing. J.G.F. de Wijs, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Goirle, vertegenwoordigd door ing. K. Swolfs, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellanten betogen dat een aanvraag om een bouwvergunning nog niet is ingediend, terwijl het verlenen van een bouwvergunning toch meer prioriteit heeft dan het verlenen van een milieuvergunning. Voorts stellen zij dat het volgens het bestemmingsplan niet mogelijk is om op deze plaats een categorie-4-bedrijf, waarvan naar hun mening sprake is, te vestigen.

2.3. De Afdeling overweegt dat het ontbreken van een bouwvergunning er niet aan in de weg staat dat krachtens de Wet milieubeheer een vergunning wordt verleend. Voorzover appellanten stellen dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en reeds om die reden niet kan slagen.

2.4. Voorzover appellanten beogen te stellen dat verweerder is afgeweken van de uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, overweegt de Afdeling dat deze uitgave is bedoeld als een leidraad die gemeentebesturen kunnen gebruiken bij de vaststelling van bestemmingsplannen en van minimumafstanden die tussen diverse bestemmingen worden aangehouden. De uitgave bevat evenwel - zoals daarin ook staat vermeld - geen normen voor de beoordeling van een aanvraag om een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor een afzonderlijk bedrijf. Verweerder heeft deze uitgave derhalve op goede gronden niet bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag betrokken.

2.5. Appellanten stellen dat de bewoners van de woningen aan de [locaties sub 1 en sub 2] visuele hinder zullen ondervinden van de inrichting.

2.5.1. De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling echter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Overigens merkt de Afdeling op dat de inrichting grotendeels aan het zicht wordt onttrokken door de geluidmuur aan de oostzijde van het terrein van de inrichting en dat vergunninghoudster heeft toegezegd om het twee meter hoge hekwerk aan de noordzijde van het terrein van de inrichting te voorzien van beplanting.

2.6. Appellanten vrezen voor stofoverlast vanwege de overslag van stuifgevoelige stoffen. De aan de vergunning verbonden voorschriften bieden volgens hen onvoldoende bescherming.

2.7. Verweerder heeft ter voorkoming dan wel voldoende beperking van stofoverlast de voorschriften 4.1.2, 9.4.1 tot en met 9.4.3 en 10.3.2 aan de vergunning verbonden. Ingevolge voorschrift 4.1.2 moet de opslagtijd van afvalstoffen binnen de inrichting tot een minimum worden beperkt. In de voorschriften 9.4.1 tot en met 9.4.3 is bepaald dat voorzieningen en maatregelen moeten worden getroffen ter voorkoming van verspreiding van stof buiten de inrichting, zoals de plaatsing van keerwanden en het bevochtigen en afdekken van de stuifgevoelige stoffen. Tot slot is in voorschrift 10.3.2 bepaald, voorzover hier van belang, dat de opslagmiddelen moeten zijn geplaatst op een afstand van ten minste 2 meter van de perceelsgrens of van een object met enig brandrisico.

Gegeven deze voorschriften en de in de aanvraag vermelde maatregelen ten aanzien van de opslag van afvalstoffen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn om stofhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat ter zitting is gebleken dat vergunninghoudster twee wateraansluitingen zal realiseren voor de bevochtiging van de in de inrichting aanwezige stoffen.

2.8. Appellanten, die ten oosten van de inrichting wonen, vrezen voor geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting. Zij voeren aan dat het akoestisch onderzoek, dat bij de aanvraag behoort, niet juist tot stand is gekomen. Daarbij verwijzen zij naar een intern stuk van verweerder van 20 februari 2002, waarin conceptvoorschriften over een storthoogte van materialen van maximaal 1 meter zijn opgenomen die naar hun mening ten onrechte niet zijn overgenomen in de vergunning. Zij achten het niet realistisch dat het lossen van puin en metaal in lege metalen containers vanaf een hoogte van 2,80 meter binnen de geluidnormen kan plaatsvinden. Verder hebben zij bezwaar tegen het gehanteerde bronniveau van een optrekkende auto die de helling van het bordes van 2,30 meter oprijdt. Bovendien zijn er volgens hen ten onrechte geen beperkingen gesteld aan akoestische signalering of audioapparatuur van derden. Appellanten vrezen voorts voor geluidhinder vanwege de weerkaatsing van het geluid afkomstig van het wegverkeer op de Poppelseweg tegen de vier meter hoge geluidmuur die aan de oostzijde van het terrein van de inrichting wordt opgericht.

2.8.1. Blijkens de stukken ligt het akoestisch onderzoek van 3 april 2002 aan het bestreden besluit ten grondslag. De Afdeling is van oordeel dat het feit dat er meerdere concepten van het rapport van het akoestisch onderzoek zijn opgesteld, niet maakt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.

Uit de stukken blijkt dat opneming van de door appellanten gewenste maximale storthoogte in de voorschriften niet mogelijk was, omdat in de aanvraag een bordes is beschreven vanwaar af afval in containers wordt gestort, wat een vrije val van meer dan 1 meter met zich kan brengen. Mede gelet op het deskundigenbericht moet worden aangenomen dat het storten van glas, puin en metaal in containers vanaf 2,80 meter hoogte niet leidt tot een overschrijding van de gestelde geluidgrenswaarden, mits het storten plaatsvindt op de containerlocaties met de nummers 1, 2, 10, 11, 19 en 20. De Afdeling stelt vast dat vergunninghoudster op grond van voorschrift 2.2.6 gehouden is om bij het storten slechts van deze containerlocaties gebruik te maken.

Ten aanzien van het gehanteerde bronniveau voor personenauto’s van 94,1 dB(A), overweegt de Afdeling als volgt. In het deskundigenbericht is gesteld dat het gebruikelijk is om voor personenauto’s een bronniveau te hanteren variërend van 90 tot 94 dB(A), doch dat een bronniveau van

94,1 dB(A) in dit geval representatief is vanwege het feit dat de auto’s in de regel beladen zijn of een aanhangwagen moeten trekken en het bordes op moeten rijden. Niet is gebleken dat deze bevinding onjuist is.

Wat de akoestische signalering en audioapparatuur betreft, overweegt de Afdeling het volgende. In voorschrift 2.2.3 is bepaald dat audioapparatuur zodanig dient te zijn afgesteld dat geluid afkomstig van deze apparatuur niet hoorbaar is buiten de inrichting. Ingevolge voorschrift 2.2.4, voorzover hier van belang, dienen akoestische signaleringen zodanig te zijn afgesteld dat er geen bijdrage is aan de in voorschrift 2.1.1 opgenomen waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT). De stelling van appellanten dat er geen beperkingen zijn gesteld aan akoestische signalering en audioapparatuur is derhalve feitelijk onjuist.

Over de weerkaatsing van geluid ten gevolge van de oprichting van een geluidmuur overweegt de Afdeling het volgende. Gelet op het deskundigenbericht moet worden aangenomen dat de geluidbelasting op de achtergevels van de woningen van appellanten vanwege de oprichting van de vergunde geluidmuur zal toenemen met maximaal 2,5 dB(A). Daargelaten of het geluid afkomstig van het verkeer op de Poppelseweg kan worden toegerekend aan het in werking zijn van de inrichting, overweegt de Afdeling dat blijkens het deskundigenbericht een dergelijke toename niet zodanig is dat ter plaatse van de achtergevels van de woningen van appellanten niet kan worden voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder niet behoeft te worden gevreesd.

2.9. Het beroep van appellanten is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

255.