Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200300129/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 april 2002 heeft de gemeenteraad van Harderwijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 maart 2002, het bestemmingsplan "Hierden dorp 2001" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300129/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2002 heeft de gemeenteraad van Harderwijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van

26 maart 2002, het bestemmingsplan "Hierden dorp 2001" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 december 2002, nr. RE2002.46557, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 7 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2003, en appellant sub 2 bij brief van 23 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2003, beroep ingesteld.

[appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 4 februari 2003.

Bij brief van 8 april 2003 heeft verweerder medegedeeld dat de beroepschriften hem geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 mei 2003 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2003, waar [appellant sub 1] in persoon en bijgestaan door mr. C.J.M. van Zeijl, advocaat te Harderwijk, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Voorts is aldaar gehoord de gemeenteraad van Harderwijk, vertegenwoordigd door J.E. Mons en

E.C. Priester, ambtenaren van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in een integrale planherziening voor de bebouwde kom van Hierden. Tevens zijn in dit plan een aantal woningbouwlocaties opgenomen die rechtstreeks dan wel via een uitwerkingsplan of wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat verweerder ten onrechte het plan heeft goedgekeurd.

[appellant sub 1] voert hiertoe aan dat de gemeenteraad in strijd heeft gehandeld met afdeling 3.4 van de Awb.

Hij betoogt verder dat het plan zijn bedrijfsvoering zal beperken. De vijf beoogde woningen direct ten westen van zijn bedrijf liggen volgens hem binnen de hindercirkel van 50 meter.

Voorts stelt [appellant sub 1] dat het akoestisch onderzoek van adviesbureau

[naam] niet onafhankelijk is en dat dit onderzoek tevens onjuist en onvolledig is.

[appellant sub 2] vreest dat woningbouwlocatie E zijn bedrijfsvoering zal beperken.

2.4. Afdeling 3.4 van de Awb is in artikel 23 van de WRO van toepassing verklaard op de voorbereiding van een bestemmingsplan.

De vereisten in artikel 23 van de WRO hebben betrekking op de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, de kennisgeving van de terinzagelegging, de mogelijkheid een zienswijze omtrent het ontwerp kenbaar te maken en de mogelijkheid deze zienswijze mondeling toe te lichten.

Noch in artikel 23 van de WRO, noch elders in de WRO is voor de gemeenteraad de verplichting opgenomen, het commentaar van het college van burgemeester en wethouders op de ingediende zienswijzen aan de indieners van de zienswijzen te zenden en deze indieners in de gelegenheid te stellen hierop te reageren voordat de gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt.

De omstandigheid dat de eerste versie van het commentaar van het college van burgemeester en wethouders op de door [appellant sub 1] ingediende zienswijze is vervangen door een tweede versie, waarin het akoestisch onderzoek van adviesbureau [naam] aan de orde is gesteld, maakt dit niet anders.

Overigens is gebleken dat [appellant sub 1] zijn bezwaren tegen het akoestisch onderzoek van adviesbureau [naam] in het kader van de bedenkingenfase bij verweerder aan de orde heeft gesteld en dat de behandeling van deze bezwaren in het bestreden besluit is neergelegd.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de voorbereiding van het plan overeenkomstig artikel 23 van de WRO heeft plaatsgevonden. De gemeenteraad heeft niet in strijd gehandeld met dit artikel of met afdeling 3.4 van de Awb.

2.5. De gemeenteraad betwist dat voor het bedrijf van [appellant sub 1] een hindercirkel van 50 meter geldt. Hij stelt zich op het standpunt dat in het ontwerpbestemmingsplan is uitgegaan van een hinderzone van 21,5 meter. Deze hinderzone is nader onderzocht door adviesbureau [naam]. Naar aanleiding van dit akoestisch onderzoek heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan het bouwvlak van de vijf beoogde woningen verruimd tot een afstand van 10 meter van het perceel van

[appellant sub 1] .

Ten aanzien van het bedrijf van [appellant sub 2] heeft de gemeenteraad overwogen dat woningbouwlocatie E niet zal leiden tot een ernstige aantasting van zijn bedrijfsvoering, omdat rekening wordt gehouden met de geluidcontour. Hij heeft verder overwogen dat in het kader van het uitwerkingsplan het bedrijf van [appellant sub 2] kan worden ingepast en dat verplaatsing eventueel tot de mogelijkheden behoort.

2.6. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd.

Hij kan instemmen met het standpunt van de gemeenteraad.

2.7. Niet is aannemelijk geworden dat het akoestisch onderzoek van adviesbureau [naam] geen onafhankelijk onderzoek betreft.

De omstandigheid dat projectontwikkelaar Century Vastgoed aan adviesbureau [naam] opdracht heeft gegeven de mogelijkheden met betrekking tot de akoestische situatie van het bedrijf van [appellant sub 1] en de beoogde vijf woningen in kaart te brengen, maakt dit niet anders.

Mede gelet op het deskundigenbericht stelt de Afdeling vast dat de activiteiten van het bedrijf van [appellant sub 1] betreffende de machinale werkplaats en de laad- en loskraan ten onrechte niet zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek van adviesbureau [naam]. Verder is in dit onderzoek wat betreft de heftruck, ten onrechte uitgegaan van een verkorting van de vergunde bedrijfstijd van 6,4 uur per dag naar 0,5 uur.

Dit heeft tot gevolg dat aan het bestreden besluit een akoestisch onderzoek ten grondslag ligt dat niet overeenstemt met de feitelijke werkzaamheden van het bedrijf.

De Afdeling is voorts gebleken dat in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met eventuele uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van [appellant sub 1].

2.8. Ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad ten aanzien van het bedrijf van [appellant sub 2] de gehanteerde 50 meter geluidhindercontour ten onrechte heeft berekend vanaf de grens van het perceel [-] (het bouwblok) in plaats van vanaf de grens van het perceel [-], waar tevens bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.

Gelet hierop is verweerder in zijn bestreden besluit uitgegaan van een onjuiste ligging van de geluidhindercontour.

2.9. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn op deze punten gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming “Dorpsgebied”, met de nadere aanduiding “nieuwbouw uit te werken 40”, voor zover deze is gesitueerd binnen de geluidhindercontour van 50 meter, zoals aangegeven op de bijbehorende gewaarmerkte kaart en de bestemming “Dorpsgebied”, met de nadere aanduiding “nieuwbouw 5”.

De Afdeling ziet, gelet op de omstandigheid dat bij berekening vanaf de grens van het perceel [-] de geluidhindercontour aan de westzijde met

50 meter opschuift en hierdoor een groter gedeelte van

woningbouwlocatie E binnen deze contour komt te liggen, aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Dorpsgebied”, met de nadere aanduiding “nieuwbouw uit te werken 40”, voor zover deze is gesitueerd binnen de geluidhindercontour van 50 meter, zoals aangegeven op de bijbehorende gewaarmerkte kaart.

2.10. Verweerder dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van [appellant sub 2] niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en het beroep van

[appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 3 december 2002, nr. RE2002.46557, voorzover dit voorziet in de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Dorpsgebied", met de nadere aanduiding "nieuwbouw uit te werken 40”, voor zover deze is gesitueerd binnen de geluidhindercontour van 50 meter, zoals aangegeven op de bijbehorende gewaarmerkte kaart en de bestemming “Dorpsgebied", met de nadere aanduiding "nieuwbouw 5";

III. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Dorpsgebied", met de nadere aanduiding "nieuwbouw uit te werken 40”, voor zover deze is gesitueerd binnen de geluidhindercontour van 50 meter, zoals aangegeven op de bijbehorende gewaarmerkte kaart;

IV. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het onder III genoemde plandeel in de plaats treedt van het onder II vermelde besluit;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en het beroep van

[appellant sub 2] voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door [appellant sub 1] in verband met de behandeling van zijn beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 805,00 welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan [appellant sub 1] ;

VII. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellant sub 1] en

[appellant sub 2] het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ([appellant sub 1]: € 218,00 en [appellant sub 2]:

€ 109,00).

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Bindels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

85-427.