Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200303468/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 5 februari 2003, in zaak no. 200105725/1, heeft de Afdeling het beroep tegen de beslissing op bezwaar om het verzoek om handhavingsmaatregelen jegens [derde belanghebbende] af te wijzen, ongegrond verklaard.

Bij brief van 26 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2003, heeft verzoeker de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

Bij brief van 10 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Obdam een reactie op het verzoek ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303468/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

om herziening als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht van de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2003, in zaak no. 200105725/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 5 februari 2003, in zaak no. 200105725/1, heeft de Afdeling het beroep tegen de beslissing op bezwaar om het verzoek om handhavingsmaatregelen jegens [derde belanghebbende] af te wijzen, ongegrond verklaard.

Bij brief van 26 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2003, heeft verzoeker de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

Bij brief van 10 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Obdam een reactie op het verzoek ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2003, waar verzoeker in persoon en vertegenwoordigd door mr. W.G. Tideman, gemachtigde, is verschenen. Voorts is daar als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Obdam, vertegenwoordigd door J.A. Ooijevaar, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. In de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen.

”Blijkens stukken hebben deze overschrijdingen van de op 50 meter van de inrichting geldende geluidnormen geen of nauwelijks gevolgen voor het geluidniveau ter plaatse van de woning van appellanten nu het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de woning van appellanten aan de [locatie] niet of slechts in zeer beperkte mate wordt overschreden. De Afdeling overweegt voorts dat verweerders blijkens de considerans van het bestreden besluit voornemens zijn nadere eisen te stellen als bedoeld in voorschrift 10.2 van bijlage I van het Besluit ten aanzien van het geluidniveau van de aan het Geveland gevestigde bedrijven, derhalve ook ten aanzien van de onderhavige inrichting. Blijkens het verweerschrift hebben verweerders daartoe inmiddels een ontwerp-besluit genomen.”

2.2.1. Verzoeker voert aan dat het college van burgemeester en wethouders van Obdam de procedure om voornoemde nadere eisen te stellen, hebben stopgezet. Verzoeker stelt dat dit feit, indien het bij de Afdeling bekend was geweest, mogelijk tot een andere uitspraak had geleid.

2.2.2. De Afdeling stelt vast dat het college van burgemeester en wethouders van Obdam de raadsvrouwe van verzoeker bij brief van 18 mei 2002 op de hoogte heeft gesteld van het stopzetten van voornoemde procedure. Dit feit was verzoeker vóór de uitspraak bekend, hetgeen deze ter zitting heeft bevestigd. De Afdeling constateert voorts dat voornoemd college bij brief van 22 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2002, een kopie van de brief van 18 mei 2002 aan de Afdeling heeft gestuurd. Aangezien er daarmee geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dient het verzoek te worden afgewezen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Rijntjes-Lindhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Rijntjes-Lindhout

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

194-442.