Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200206819/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Nieuwegein, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 januari 2002, het bestemmingsplan "Het Klooster 2002" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/68
M en R 2004, 35K
Gst. 2004, 51 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2003/4326
JM 2004/29 met annotatie van Pieters
JB 2004/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206819/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid “Gildenborg Holding B.V.” en “WCN Heemstede B.V.”, beide gevestigd te Houten,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Nieuwegein, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 januari 2002, het bestemmingsplan "Het Klooster 2002" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 oktober 2002, kenmerk 2002REG002377i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 24 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2002, en appellant sub 2 bij brief van 2 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 24 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1, appellant sub 2 en van de gemeenteraad van Nieuwegein. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2003, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellant sub 2, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. B.J. van Wulfften Palthe, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Nieuwegein, vertegenwoordigd door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, R.D.B.L. van den Bosch, R.W. van der Velden, ambtenaren van de gemeente, en [gemachtigde], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een bedrijventerrein, een aansluiting op de A27, een (overslag)haven aan het Amsterdam-Rijnkanaal, een verbreding van het Lekkanaal/Beatrixsluis, en in de oprichting van een aantal windturbines.

2.3. Appellanten stellen dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Appellanten sub 1 hebben hiertoe als formeel bezwaar aangevoerd dat het ontwerp van het bestemmingsplan tijdens de periode van terinzageligging niet gedurende gehele werkdagen kon worden ingezien, hetgeen zij in strijd met artikel 23 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening achten.

Voorts hebben appellanten aangevoerd dat de van het ontwerp deel uitmakende plankaart met de wettelijk vereiste schaal een gedeelte van de periode van tervisieligging ontbrak.

Verder hebben volgens appellanten sub 1 de op het ontwerp van het bestemmingsplan betrekking hebbende stukken niet ter inzage gelegen.

2.4. In artikel 23, eerste lid, onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is bepaald dat een ontwerp gedurende vier weken ter inzage ligt gedurende welke periode het ontwerp tevens desgevraagd ten minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren kan worden ingezien.

2.4.1. Blijkens de kennisgevingen kon het ontwerp van het bestemmingsplan gedurende de tervisieligging worden ingezien op werkdagen van 8.30 uur tot 13.00 uur, op vrijdagavond van 18.00 tot 20.00 uur en daarnaast desgevraagd tenminste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten kantooruren. De Afdeling is van oordeel dat met deze wijze van tervisielegging geen wettelijk voorschrift is geschonden. Uit het genoemde onderdeel van het artikel volgt niet dat het ontwerp van het bestemmingsplan gedurende gehele werkdagen moet kunnen worden ingezien. Evenmin is deze wijze van tervisielegging in strijd met de te betrachten zorgvuldigheid.

2.4.2. De kaart met bijbehorende verklaring waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden worden aangewezen, is blijkens artikel 12 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 een wezenlijk onderdeel van het (ontwerp van het) plan.

In de kennisgevingen van het ontwerp van het bestemmingsplan is vermeld dat het ontwerp ter inzage ligt in de Stadswinkel bij het loket “Bouwen”. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat genoemd bezwaar van appellanten is ingegeven door de stelling van een belangstellende op de gemeentelijke hoorzitting van 18 december 2001. Deze stelling hield in dat de kaart met de wettelijk vereiste schaal gedurende een gedeelte van de periode van terinzageligging heeft ontbroken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt echter dat deze belangstellende zich bij een ander loket heeft vervoegd dan in de kennisgevingen van het ontwerp van het bestemmingsplan was vermeld. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de kaart met de wettelijk vereiste schaal, deel uitmakende van het ontwerp van het bestemmingsplan, niet gedurende de gehele periode van terinzageligging ter inzage heeft gelegen bij het in de kennisgevingen genoemde loket.

Voorzover appellanten hebben gesteld dat zij, dan wel anderen niet wisten, noch konden weten dat de plankaart bij het loket “Bouwen” diende te worden ingezien, kan de Afdeling appellanten niet volgen in deze stelling, aangezien in de kennisgevingen was vermeld dat het ontwerp bij dit loket ter inzage lag.

2.4.3. Ten aanzien van de terinzagelegging van de stukken die betrekking hebben op het ontwerp van het bestemmingsplan overweegt de Afdeling als volgt.

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de procedure van afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, aangevuld met enkele voorschriften in artikel 23 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, voor een periode van ten minste vier weken ter inzage. Blijkens de wetsgeschiedenis is artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht te zien als een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht, hetgeen ziet op het uit eigen beweging verstrekken van informatie door een bestuursorgaan.

Doel van de terinzagelegging is dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het (ontwerp van het) plan, zodat zij kunnen bezien of zij daartegen willen opkomen.

Niet in geschil is dat een aantal op het ontwerp betrekking hebbende en voor de vaststelling van het plan van belang zijnde stukken, waaronder een akoestisch onderzoek, niet met het ontwerp van het plan ter inzage zijn gelegd. De stelling van verweerder en de gemeenteraad dat hiertoe geen verplichting bestond, nu deze stukken in de plantoelichting samengevat waren weergegeven en de stukken desgevraagd door de gemeente terstond ter beschikking zijn gesteld, onderschrijft de Afdeling niet. Een dergelijke uitleg zou er immers toe leiden dat de uit artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voortvloeiende verplichting wordt beperkt tot een passieve plicht tot openbaarmaking. Ook gelet op de bewoordingen van artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat spreekt van het ter inzage leggen van de op het ontwerp betrekking hebbende stukken “met” het ontwerp van het besluit, dienen deze stukken tezamen met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage te worden gelegd.

2.4.4. Gelet op het vorenstaande is het plan in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De voorgeschreven eisen ter zake van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan dienen blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet op de Ruimtelijke Ordening als minimale waarborgen voor rechtszoekenden te worden beschouwd, waarvan strikte naleving noodzakelijk is. Nu niet aan deze eisen is voldaan, maar verweerder het plan niettemin heeft goedgekeurd, heeft verweerder gehandeld in strijd met de genoemde artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het bestemmingsplan.

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige in de beroepschriften genoemde gronden van appellanten geen bespreking.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 14 oktober 2002, kenmerk 2002REG002377i;

III. onthoudt goedkeuring aan het door de gemeenteraad van Nieuwegein op 28 februari 2002 vastgestelde bestemmingsplan “Het Klooster 2002”;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van totaal € 677,17; dit bedrag dient door de provincie Utrecht als volgt te worden betaald:

- aan Gildenborg Holding B.V. en WCN Heemstede B.V. gezamenlijk

€ 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan [appellant sub 2] € 33,17;

VI. gelast dat de provincie Utrecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00 voor Gildenborg Holding B.V. en WCN Heemstede B.V. gezamenlijk en € 109,00 voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

270-425.