Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9234

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200303537/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2002, kenmerk 859683 heeft verweerder aan de gemeente Roosendaal ontheffing verleend van de zorgplicht voor de verwijdering van afvalwater als bedoeld in artikel 10.33 van de Wet milieubeheer.

Bij besluit van 25 maart 2003, kenmerk 903008, verzonden op 23 april 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2003, beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/4261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303537/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]l,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2002, kenmerk 859683 heeft verweerder aan de gemeente Roosendaal ontheffing verleend van de zorgplicht voor de verwijdering van afvalwater als bedoeld in artikel 10.33 van de Wet milieubeheer.

Bij besluit van 25 maart 2003, kenmerk 903008, verzonden op 23 april 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. de Vries en V.C.L. Broeder, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal, vertegenwoordigd door mr. H.G.J. Norbart en J. Vrinds, ambtenaren van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellant voert aan dat zijn bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard wegens gebrek aan motivering. In de considerans van het bestreden besluit is gesteld dat bezwaarmaker 12 niet-ontvankelijk is. Uit de stukken blijkt echter dat appellant bezwaarmaker 7 is. Kennelijk heeft verweerder in het dictum beide bezwaarmakers met elkaar verwisseld.

2.1.1. Verweerder voert aan dat er sprake is van een kennelijke vergissing die voor appellant klaarblijkelijk en evident was. Volgens verweerder is appellant door deze vergissing niet in zijn procesbelang geschaad.

2.1.2. De Afdeling overweegt dat uit de stukken blijkt dat appellant in het dictum van het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is in zoverre derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Aangezien verweerder de bezwaren van appellant wel inhoudelijk heeft behandeld en ongegrond heeft verklaard zal de Afdeling ook de materiële punten van het beroep behandelen.

2.2. Artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer stelt dat elke gemeente zorg draagt voor de doelmatige inzameling en het doelmatige transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen haar grondgebied gelegen percelen. Het tweede lid van artikel 10.33 stelt dat op verzoek van burgemeester en wethouders gedeputeerde staten in het belang van een doelmatige verwijdering van afvalwater ontheffing verlenen van de verplichting opgenomen in het eerste lid, voor een in die ontheffing genoemde periode.

2.3. Appellant voert aan dat in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met zijn individuele belangen omdat alle lozingen geclusterd en in samenhang zijn behandeld. Hij stelt dat onvoldoende is aangetoond dat de kosten per aansluiting op de riolering hoger zijn dan de basisinspanning. In ieder geval is, volgens appellant, onvoldoende onderzocht of dit ook geldt voor zijn perceel. Hij stelt hierbij tevens dat het niet uit te sluiten valt dat de kosten die hij voor een septictank moet maken hoger zullen zijn dan de kosten die hij zou moeten maken als hij op het riool zou kunnen worden aangesloten. Hij is van mening dat zoveel mogelijk op de riolering moet worden aangesloten en dat de verlening van een ontheffing een uitzondering moet blijven.

2.3.1. Verweerder stelt het verzoek om ontheffing van de gemeentelijke zorgplicht aan het door hem in de nota “Rioleringsbeleid provincie Noord-Brabant” geformuleerde beleid te hebben getoetst. Hij voert aan dat dit beleid tot gevolg heeft dat juist door percelen te clusteren een situatie ontstaat waarin zoveel mogelijk percelen op de riolering aangesloten kunnen worden. Indien de gemiddelde aansluitingskosten per perceel hoger zijn dan de in het beleid opgenomen basisinspanning dienen percelen uit de cluster verwijderd te worden tot het moment waarop de gemiddelde kosten perceel weer gaan stijgen. Alleen wanneer op dat punt de gemiddelde kosten nog steeds boven de basisinspanning uit stijgen kan voor dat cluster een ontheffing worden verleend.

2.3.2. De Afdeling overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het verzoek om ontheffing van de gemeentelijke zorgplicht aan het in de nota “Rioleringsbeleid provincie Noord-Brabant” verwoorde beleid voldoet en dat de verleende ontheffing overeenkomstig dit provinciale beleid is verleend. De eventuele kosten die appellant voor het aanleggen van een septictank moet maken kan bij een besluit op een verzoek om ontheffing van de gemeentelijke zorgplicht geen rol spelen. Deze beroepsgrond kan derhalve geen doel treffen.

2.4. Appellant voert aan dat er sprake is van rechtsongelijkheid omdat enige jaren geleden percelen met vergelijkbare aansluitingskosten wel op de riolering zijn aangesloten.

2.4.1. Verweerder stelt dat in het verleden op basis van de zogenoemde verfijningsregeling de mogelijkheid bestond om met rijksmiddelen in het buiten gebied riolering aan te leggen. Die regeling bestaat echter niet meer en de overwegingen die de gemeente destijds had bij het al dan niet op de riolering aansluiten van percelen kan bij het onderhavige besluit geen rol spelen.

2.4.2. Gelet op het bovenstaande overweegt de Afdeling dat noch uit hetgeen appellant heeft aangevoerd noch anderszins gebleken is van rechtsongelijkheid. Deze beroepsgrond kan derhalve geen doel treffen.

2.5. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor een vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 25 maart 2003, kenmerk 903008;

III. verklaart het bezwaar van appellant van 28 oktober 2002 ontvankelijk en verklaart de bezwaren ongegrond;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Klap

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

315.