Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9233

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200206687/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan Schutterij St. Cornelius vergunning verleend voor het veranderen van de werking van een schutterslokaal behorend bij een schietinrichting op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Weert, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 6 november 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206687/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan Schutterij St. Cornelius vergunning verleend voor het veranderen van de werking van een schutterslokaal behorend bij een schietinrichting op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Weert, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 6 november 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2003, waar [gemachtigde] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door R.P. Franken en J. Truijen, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De vergunning heeft betrekking op een uitbreiding van activiteiten die gehouden worden in het schutterslokaal en op een verruiming van de openstelling van het schutterslokaal en het terras.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten voeren aan dat de vergunningaanvraag onvolledig is. Zij stellen dat de aanvraag onvoldoende concrete gegevens bevat over de nieuwe activiteiten en over de verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Daarnaast wijzen zij erop dat een aantal rubrieken in de vergunningaanvraag niet is ingevuld.

Verweerder stelt dat op het aanvraagformulier alleen gegevens vermeld hoeven te worden die betrekking hebben op de voorgenomen verandering van de inrichting en dat de gegevens die niet veranderen niet vermeld hoeven te worden.

De Afdeling overweegt dat verweerder zich terecht op het weergegeven standpunt heeft gesteld. Voorts stelt de Afdeling vast dat de nieuwe activiteiten die binnen de inrichting zullen plaatsvinden, zijn omschreven in bijlage 1 van de vergunningaanvraag. In de aanvraag is ook het aantal te verwachten verkeersbewegingen van en naar de inrichting vermeld. Onder deze omstandigheden leidt hetgeen appellanten hebben aangevoerd, niet tot het oordeel dat de aanvraag niet voldoet aan de vereisten die het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer daaraan stelt of dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.4. Appellanten menen dat een revisievergunning in plaats van een veranderingsvergunning verleend had moeten worden. Zij stellen dat er met betrekking tot de inrichting vijf, deels verouderde, regelingen van kracht zijn, waardoor het geheel aan regelingen onoverzichtelijk is geworden. Voorts is de uitbreiding van activiteiten van de inrichting zodanig dat verweerder vergunninghoudster had moeten vragen een aanvraag om revisievergunning in te dienen.

Op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag, wanneer een veranderingsvergunning is aangevraagd, uit eigen beweging of op verzoek bepalen dat een revisievergunning moet worden aangevraagd. Het bevoegd gezag komt daarbij een zekere beleidsvrijheid toe.

De Afdeling ziet, gelet op de aangevraagde nieuwe activiteiten en het bestaande vergunningenbestand, in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat kon worden volstaan met het aanvragen van een veranderingsvergunning.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellanten stellen dat een tijdelijke vergunning had moeten worden verleend aangezien het de bedoeling van het gemeentebestuur is in de toekomst een nieuwe feestzaal te realiseren.

Ingevolge artikel 8.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan in een vergunning worden bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij vast te stellen termijn van ten hoogste vijf jaar, indien:

a. de inrichting waarop de vergunning betrekking heeft, naar haar aard tijdelijk is;

b. uit de aanvraag blijkt dat de vergunning slechts voor een daarbij aangegeven termijn wordt gevraagd;

c. dat nodig is in het belang van het ontwikkelen van werkwijzen in de inrichting, die minder nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken;

d. dat nodig is in verband met het ontwikkelen van een beter inzicht in de gevolgen van de inrichting voor het milieu.

De Afdeling stelt vast dat de gevallen zoals beschreven onder a en b van genoemde bepaling zich hier niet voordoen. Voorts ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevallen zoals omschreven in c en d in dit geval niet tot het oordeel behoefden te leiden dat het volstaan met een tijdelijke vergunning aangewezen was.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Appellanten stellen dat de uitbreiding van activiteiten in de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Daarnaast betogen zij dat het college van gedeputeerde staten bij besluit van 15 december 1992 een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven voor de bouw van woningen in de nabijheid van de inrichting omdat de activiteiten van de schutterij zich verdragen met de woonfunctie van het gebied. Verzoekers vrezen dat de nu vergunde uitbreiding van de activiteiten van de inrichting de woonfunctie van het gebied zal aantasten.

Deze gronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen reeds om die reden niet slagen.

2.7. Voorzover appellanten aanvoeren dat de activiteiten op een andere plaats zouden moeten plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde plaats vergunning kan worden verleend. Of een andere plaats meer geschikt is speelt hierbij geen rol. De grond treft geen doel.

2.8. Appellanten vrezen een toename van de geluidhinder door uitbreiding van de vergunde activiteiten. Zij menen dat verweerder een akoestisch onderzoek had moeten (laten) verrichten naar de geluidbelasting hiervan.

De Afdeling ziet, gelet op de aard en de omvang van de aangevraagde activiteiten, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het (laten) uitvoeren van een dergelijk onderzoek.

Deze grond slaagt niet.

2.9. Appellanten brengen naar voren dat in het licht van de aangevraagde incidentele activiteiten de openingstijden van het schutterslokaal te zeer worden uitgebreid. Ook zijn zij van mening dat de verruiming van de openingstijden van het terras onvoldoende is gemotiveerd.

De Afdeling overweegt dat uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Het is de Afdeling verder niet gebleken dat verweerder meer heeft vergund dan is aangevraagd.

Deze beroepsgrond faalt.

2.10. Appellanten voeren aan dat de onderhavige veranderingsvergunning de op 26 augustus 1993 verleende vergunning voor dezelfde inrichting deels overlapt. Zij betogen dat verschillende geluidvoorschriften gelden voor dezelfde activiteiten en dat bepaalde voorschriften strijdig zijn met elkaar.

De Afdeling overweegt dat de aan de bestreden veranderingsvergunning verbonden geluidgrenswaarden zien op de totale geluidbelasting die vanwege de inrichting mag worden ondervonden. De Afdeling stelt voorts vast dat de thans ter beoordeling staande geluidvoorschriften wat de beoordeling van de meetresultaten en het bepalen van de geluidniveaus betreft afwijken van de aan de vergunning van 26 augustus 1993 verbonden geluidvoorschriften. Nu de laatstgenoemde voorschriften niet zijn ingetrokken, heeft dit tot gevolg dat thans voor dezelfde activiteiten twee verschillende geluidregimes gelden. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het bestreden besluit komt op deze grond voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden die betrekking hebben op geluid behoeven, gelet hierop, geen bespreking meer.

De Afdeling merkt nog op dat voorzover het beroep van appellanten is gericht tegen de hoogte van het bij de vergunning van 26 augustus 1993 tot uitgangspunt genomen referentieniveau van het omgevingsgeluid, die vergunning onherroepelijk is en thans niet ter beoordeling staat.

2.11. Appellanten vrezen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften met betrekking tot de openingstijden niet zullen worden nageleefd. Deze grond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.12. Hetgeen appellanten voor het overige nog hebben aangevoerd leidt de Afdeling niet tot het oordeel dat eveneens op grond hiervan tot vernietiging van het bestreden besluit zou moeten worden overgegaan.

2.13. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.14. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Weert van 30 oktober 2002;

III. gelast dat de gemeente Weert aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Trippert-van Gemeren

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

289.