Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9224

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200206112/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2002, kenmerk DGWM/2002/6776, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor onder meer het op- en overslaan van huishoudelijk en grof huishoudelijk afval en het op- en overslaan van bedrijfsafval, kantoor-, winkel- en dienstenafval en niet-procesgerelateerd industrieel afval op het adres [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummers [-] en [-]. Dit besluit is op 7 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206112/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de naamloze vennootschap "Cyclus N.V.", gevestigd te Gouda,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland ,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2002, kenmerk DGWM/2002/6776, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor onder meer het op- en overslaan van huishoudelijk en grof huishoudelijk afval en het op- en overslaan van bedrijfsafval, kantoor-, winkel- en dienstenafval en niet-procesgerelateerd industrieel afval op het adres [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummers [-] en [-]. Dit besluit is op 7 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 15 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 november 2002.

Bij brief van 17 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 7 mei 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. A.J. Rusting en ir. A.C. de Waaij, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante heeft de grond inzake het aan de vergunning verbonden voorschrift 9.4 ingetrokken.

2.2. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 6.18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

Ingevolge artikel 6.19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2.3. Aan het bestreden besluit zijn onder meer voorschriften verbonden ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder. Uit nader akoestisch onderzoek dat verweerder na verlening van de vergunning van 7 augustus 2002 heeft uitgevoerd, is hem gebleken dat vanwege de op grond van het bestreden besluit voorgeschreven uitweegverplichting en de dientengevolge aangepaste rijroutes van de vrachtwagens, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) gedurende de nachtperiode op een aantal in voorschrift 6.1 genoemde locaties hoger is dan voorzien en vergund. Uit dit onderzoek is tevens gebleken dat de gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau (LMax) vanwege de voorgeschreven uitweegverplichting niet zullen wijzigen ten opzichte van de reeds vergunde situatie. Verweerder heeft bij besluit van 25 augustus 2003 besloten voorschrift 6.1, waarin de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) zijn opgenomen, met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer, te vervangen. In het besluit van 25 augustus 2003 is tevens bepaald dat het aan het besluit van 7 augustus 2002 verbonden voorschrift 6.1 is komen te vervallen.

2.4. Gelet op artikel 6.19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 25 augustus 2003.

2.5. Appellante kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.3.4. Hierin is bepaald dat de hoeveelheid (in kilogram of ton) van de afgevoerde partijen afvalstoffen door weging binnen de inrichting dient te worden bepaald. Appellante betoogt onder meer dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat ten onrechte is nagelaten om de akoestische consequenties van het voorschrift te onderzoeken. Appellante stelt te betwijfelen of nog aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.5.1. Hetgeen appellante met haar beroep in zoverre nastreeft is bereikt, aangezien verweerder wat betreft de akoestische consequenties van de uitweegverplichting en de dientengevolge aangepaste rijroutes van de vrachtwagens een nader akoestisch onderzoek heeft uitgevoerd en verweerder naar aanleiding daarvan bij voormeld besluit van 25 augustus 2003 nieuwe geluidgrenswaarden heeft vastgesteld. Voor het oordeel dat appellante niettemin nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep in zoverre, bestaat geen grond.

2.6. Volgens appellante stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat de vigerende regelgeving een grondslag zou bieden voor de in voorschrift 2.3.4 opgenomen uitweegverplichting. Aangezien de afgevoerde stoffen bij binnenkomst door de verwerker worden gewogen, van wie zij vervolgens de gegevens ontvangt, beschikt zij ook zonder de af te voeren partijen afvalstoffen binnen de inrichting te wegen over de door verweerder verlangde gegevens. Zij acht het voorschrift derhalve niet nodig in het belang van de bescherming van het milieu. Daarnaast stelt appellante dat de naleving van het voorschrift hoge kosten met zich zal brengen die in redelijkheid niet van haar kunnen worden gevergd.

2.6.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de gegevens met betrekking tot de afgevoerde partijen afvalstoffen nodig heeft om effectief toezicht te kunnen houden op de verwijdering van afvalstoffen uit de inrichting. Hij acht dit met name in het kader van de handhaving van belang. Verweerder betoogt dat niet kan worden uitgesloten dat de afgevoerde afvalstoffen vanuit de onderhavige inrichting naar verschillende verwerkers worden afgevoerd. Het is voor verweerder onevenredig belastend om de benodigde gegevens bij verschillende verwerkers te controleren. Volgens verweerder is de in voorschrift 2.3.4 opgenomen uitweegverplichting niet onredelijk bezwarend voor appellante.

2.6.2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting vindt de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 2.3.4 nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Zo is de Afdeling aannemelijk geworden dat controle het meest effectief kan worden uitgeoefend indien direct bij het verlaten van de inrichting geregistreerd wordt welke afvalstoffen de inrichting verlaten. Het is de Afdeling verder niet gebleken dat artikel 8.14 van de Wet milieubeheer niet als grondslag kan dienen voor registratieverplichtingen als de onderhavige. Wat betreft het betoog van appellante dat naleving van het voorschrift hoge kosten met zich zal brengen die in redelijkheid niet van haar kunnen worden gevergd overweegt de Afdeling dat onder omstandigheden in het kader van de toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer financiële omstandigheden een rol kunnen spelen, doch dat het daarbij moet gaan om de vraag of, gezien de financiële situatie van een bepaalde bedrijfstak in het algemeen, bepaalde verplichtingen kunnen worden opgelegd. De vraag wat de financiële draagkracht van een individuele inrichting toelaat, kan geen rol spelen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de financiële situatie van afvalinrichtingen in Nederland in het algemeen zodanig is dat het voorschrijven van voornoemde registratieverplichting redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Deze grond kan derhalve niet slagen.

2.7. Appellante kan zich niet verenigen met de in voorschrift 6.4 opgenomen termijn van zes maanden. In dit voorschrift is bepaald, voor zover hier van belang, dat de in het bij de aanvraag behorend akoestisch rapport genoemde maatregelen binnen zes maanden na het van kracht worden van de vergunning moeten zijn gerealiseerd. Appellante betoogt dat zij de vereiste maatregelen niet binnen de gestelde termijn kan uitvoeren.

2.7.1. Niet in geschil is dat een bouwvergunning is vereist om te kunnen voldoen aan het gestelde in voorschrift 6.4. Ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer treedt de onderhavige vergunning niet in werking zolang de benodigde bouwvergunning niet is verleend. Het beroep is derhalve in zoverre ongegrond.

2.8. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

179-415.