Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200303868/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam (hierna: het college) appellant onder het opleggen van een dwangsom gelast het opslaan en bewerken van hout op zijn perceel [locatie sub 1] te [plaats] te staken en de aldaar aanwezige houtopslag te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303868/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 29 april 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam (hierna: het college) appellant onder het opleggen van een dwangsom gelast het opslaan en bewerken van hout op zijn perceel [locatie sub 1] te [plaats] te staken en de aldaar aanwezige houtopslag te verwijderen.

Bij besluit van 13 augustus 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 april 2003, verzonden op 6 mei 2003, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2003, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Leijtens-van der Ben, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het onderhavige perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Chaam” de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden”. De door appellant ter plaatse verrichte werkzaamheden, te weten het inzamelen en kloven van hout, alsmede het opslaan van hout aldaar, zijn met deze bestemming in strijd en op grond van het in het bestemmingsplan neergelegde gebruiksverbod niet toegestaan. Dat de opslag vanaf de openbare weg nauwelijks zichtbaar zou zijn doet daaraan niet af. Evenmin is relevant dat die opslag van tijdelijke aard zou zijn, nu zulks uitsluitend verband houdt met de aan- en afvoer van steeds andere partijen hout. Het college was dan ook bevoegd ter zake tot handhaving te besluiten. De rechtbank is terecht tot die slotsom gekomen.

2.2. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Een bijzonder geval kan onder andere worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisatie.

2.3. De rechtbank is terecht tot de slotsom gekomen dat van concreet zicht op legalisatie geen sprake is. Het betoog van appellant dat zijn activiteiten als agrarisch verwante activiteiten ter plaatse passend zijn, hetgeen in het Streekplan Noord-Brabant 2002 zou zijn neergelegd, leidt niet tot een ander oordeel. Bepalend is immers dat het bestemmingsplan agrarisch verwante activiteiten op zijn perceel niet toestaat. Dat voor de legalisatie van de activiteiten volgens appellant slechts een geringe aanpassing van het bestemmingsplan nodig zou zijn, noch de stelling van appellant dat zijn activiteiten in positieve zin bijdragen aan het milieu en de natuur, maakt dat anders. Daarbij komt dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de in het bestemmingsplan neergelegde mogelijkheid om de agrarische bestemming te wijzigen in een bestemming waarbinnen agrarisch verwante bedrijvigheid is toegestaan goedkeuring heeft onthouden. Gebleken is voorts dat appellant eerst nadat de beslissing op bezwaar was genomen bij brief van 31 december 2002 heeft verzocht aan te geven of er bereidheid bestaat medewerking te verlenen aan de verplaatsing van zijn bedrijfsactiviteiten van de [locatie sub 2], waar zijn boomverzorgingsbedrijf gevestigd is, naar het perceel aan de [locatie sub 1]. Op dit verzoek is op 27 maart 2003 ontkennend geantwoord.

2.4. Appellant heeft verder betoogd dat het handhavend optreden de continuïteit van zijn bedrijf in gevaar brengt nu er voor hem geen plaats is op het bedrijventerrein in de gemeente en het terugbrengen van deze werkzaamheden naar de [locatie sub 2] een slechte optie is, gelet op de daar aanwezige woonbebouwing. De rechtbank heeft daarin terecht geen bijzonder geval gezien op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien. Voorts is niet gebleken dat appellant mocht menen dat hij deze werkzaamheden op het perceel aan de Uliconteseweg kon uitvoeren. Het nadeel dat appellant van de handhaving ondervindt dan ook geheel voor zijn risico.

2.5. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank op goede gronden verworpen. Voor zover in door appellant genoemde gevallen door het college wordt onderzocht of bepaalde activiteiten in voormalige agrarische loodsen op grond van het provinciale beleid kunnen worden toegelaten, betreffen dit loodsen gelegen binnen de zogeheten kernrandzone. Het perceel van appellant ligt niet in die zone. De door appellant genoemde aan de [locatie sub 3] gevestigde houthandel is volgens het college al jaren geleden positief bestemd.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

47.