Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9218

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200304012/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2002, kenmerk 503566 heeft verweerder op grond van de Wet geluidhinder ten behoeve van de reconstructie van een weg hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor de woningen aan de [locatie sub 1], [locatie sub 2] en [locatie sub 3] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200304012/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2002, kenmerk 503566 heeft verweerder op grond van de Wet geluidhinder ten behoeve van de reconstructie van een weg hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor de woningen aan de [locatie sub 1], [locatie sub 2] en [locatie sub 3] te [plaats].

Bij besluit van 13 mei 2003, kenmerk 520668, verzonden op 13 mei 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 20 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 juli 2003.

Bij brief van 2 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door ing. P.A.D. Hamersma, ambtenaar van de provincie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant voert aan dat niet met het besluit tot vaststelling van de hogere geluidgrenswaarden kan worden ingestemd omdat het akoestisch onderzoek op een aantal punten van onjuiste aannames ten aanzien van de geluidwering van de gevels is uitgegaan. Zo zijn volgens hem onder andere de gevolgen van de reconstructie voor de binnenwaarde van de woning aan de [locatie sub 3] niet op de juiste wijze vastgesteld en is bij de bepaling van de benodigde geluidwering voor deze woning ten onrechte niet uitgegaan van het gesommeerde geluidniveau van alle betrokken wegen.

2.1.1. Verweerder voert aan dat appellant niet als belanghebbende kan worden aangemerkt voorzover zijn bezwaren zich richten tegen het akoestisch rapport met betrekking tot de [locatie sub 3]. Appellant woont op de [locatie sub 1] en het bezwaarschrift waar hij in zijn beroep naar verwijst is door hem en niet door de bewoner van de betreffende woning ingediend. Volgens verweerder zouden eventuele onjuistheden in het akoestisch onderzoek met betrekking tot de geluidwering van de gevels niets af doen aan het besluit dat immers betrekking heeft op het geluidniveau voor de gevel. Verweerder stelt verder in het bestreden besluit te hebben aangegeven, om twijfels over de kwaliteit van het akoestisch onderzoek ten aanzien van de geluidwerendheid van de gevels weg te nemen, bereid te zijn isolatiemetingen te laten uitvoeren.

2.1.2. In artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) wordt bepaald dat onder belanghebbende moet worden verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In een geval als het onderhavige kan als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb in beginsel slechts worden aangemerkt diegene die uit hoofde van een bijzondere, rechtens te erkennen, relatie tot een of meer van de woningen bezwaar heeft tegen de vaststelling van de hogere geluidgrenswaarde.

Vast staat dat appellant bewoner is van één van de woningen waar het bestreden besluit zich op richt. Appellant dient dan ook als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te worden aangemerkt.

Voorzover deze beroepsgrond zich richt op twijfels over de geluidwerendheid van de gevels van de betrokken woningen overweegt de Afdeling dat verweerder in het besluit op bezwaar weliswaar heeft aangeboden nadere isolatiemetingen te laten uitvoeren, maar dat de resultaten van dergelijke metingen niet van invloed kunnen zijn op de vaststelling van de hoogte van de hogere geluidgrenswaarde. Deze beroepsgrond kan derhalve geen doel treffen.

2.2. Appellant voert aan dat het geluidniveau op de gevel waarschijnlijk hoger zal zijn dan het niveau waar verweerder van uitgaat. Hij stelt dat verweerder bij de vaststelling van de verkeersintensiteit ten onrechte is uitgegaan van het daadwerkelijk getelde aantal voertuigen ter plaatse. Verweerder had, volgens appellant, rekening moeten houden met een andere verkeerssituatie omdat automobilisten hun gedrag door de aanleg van een rotonde zullen gaan wijzigen. Het door het verkeer veroorzaakte geluidniveau zal door het afremmen en optrekken hoger worden en automobilisten zullen de rotonde gaan vermijden en een eerdere afslag nemen.

2.2.1. Verweerder voert aan geen aanwijzingen te hebben dat automobilisten door de aanleg van de rotonde hun route zullen gaan wijzigen. Hij stelt hierbij dat in het door hem gehanteerde akoestisch onderzoek gebruik is gemaakt van door permanente telpunten uitgevoerde tellingen. Bij de berekening van de verkeersintensiteit in het bepalende jaar 2012 is de huidige verkeersintensiteit verhoogd met het uit de tellingen voortvloeiende groeipercentage. Bij de berekeningen is uitgegaan van de wettelijk toegestane snelheid van 80 km per uur. De werkelijke snelheid zal in de praktijk waarschijnlijk aanmerkelijk lager liggen. Hierdoor zal het gebruikte rekenmodel, volgens verweerder, eerder een overschatting van de geluidbelasting geven dan een onderschatting.

2.2.2. In hetgeen appellant heeft aangevoerd noch anderszins ziet de Afdeling aanleiding voor het standpunt dat verweerder bij de vaststelling van de hogere geluidgrenswaarden verkeerde uitgangspunten ten aanzien van de te verwachte verkeersintensiteit heeft gebruikt. Deze beroepsgrond kan derhalve geen doel treffen.

2.3. Appellant voert aan dat het aanbod van verweerder om eventuele voorzieningen aan te brengen die noodzakelijk zijn om aan het vereiste binnenniveau te voldoen te vaag is gesteld.

2.3.1. Verweerder stelt dat een hardere toezegging dan hij in zijn besluit van 12 november 2002 heeft gedaan naar zijn mening niet mogelijk is.

2.3.2. De Afdeling overweegt dat de gemeenteraad op basis van artikel 112 van de Wet geluidhinder bij toepassing van artikel 100a van deze wet maatregelen dient te treffen waardoor de geluidbelasting vanwege de gereconstrueerde weg binnen de betrokken woningen ten hoogste 35 dB(A) bedraagt. De kosten die hiermee gepaard gaan komen geheel voor rekening van de wegbeheerder. Eventuele toezeggingen doen aan deze wettelijke plicht niet af. Deze beroepsgrond kan derhalve geen doel treffen.

2.4. Het beroep treft geen doel.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Klap

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

315.