Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9216

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200205464/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Lith, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 januari 2002 (lees: 24 januari 2002), het bestemmingsplan "Buitengebied Lith" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/225

Uitspraak

200205464/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellanten sub 9] wonend respectievelijk gevestigd te [plaats],

10. [appellanten sub 10] gevestigd te [plaats],

11. [appellanten sub 11], wonend respectievelijk gevestigd te [plaats],

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Lith, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 januari 2002 (lees: 24 januari 2002), het bestemmingsplan "Buitengebied Lith" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 september 2002, nr. 815512, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Bij brief van 3 maart 2003 heeft verweerder een nader stuk ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 3 juli 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2003, waar appellanten, met uitzondering van appellanten sub 1, in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerder en de gemeenteraad van Lith hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Aan de orde zijn geschillen inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het beroep van [appellanten sub 1]

2.2. Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte gedeeltelijk goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied (A)” met de nadere aanduidingen “agrarisch bouwblok” en “niet-grondgebonden (ngg)” betreffende hun veehouderijbedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Daartoe voeren zij aan dat het resterende bouwblok te krap is omdat dit reeds geheel benut is voor bedrijfsgebouwen, kuilplaten en erfverharding.

2.2.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat aan agrarische bedrijven een bouwblok op maat dient te worden toegekend. Op basis van bestaande bebouwing, omvang van het bedrijf en een reële uitbreidingsruimte voor de komende tien jaar is het bouwblok per bedrijf begrensd.

2.2.2. Verweerder heeft de onthouding van goedkeuring doen steunen op de overweging dat uitbreiding van intensieve landbouw met stankproductie in kernrandzones met het oog op de bescherming van het woon- en leefklimaat in de kernen niet aanvaardbaar is, dat deze gebieden in ieder geval gaan behoren tot de extensiveringsgebieden in het kader van de revitalisering van het landelijk gebied en dat daarom de in kernrandzones gelegen agrarische bouwblokken, waaronder dat van appellanten, strikt begrensd dienen te worden.

2.2.3. Het bedrijf van appellanten omvat een melkveehouderij en een vleesstierenhouderij. Het ligt in een gebied dat in het streekplan Noord-Brabant 2002 is aangeduid als “AHS-landbouw”. Voorts ligt het bedrijf in de onmiddellijke nabijheid van de bebouwing van de kern Lith. Niet in geding is dat het bedrijf aldus is gelegen in een kernrandzone, waaronder blijkens hoofdstuk 8 van het streekplan dient te worden verstaan een gedeelte van het buitengebied dat grenst aan de bebouwde kom, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar.

In onderdeel 3.4.8 van het streekplan, dat vooruitloopt op de reconstructie van het landelijk gebied, wordt ten aanzien van gebieden met de aanduiding “AHS-landbouw” vermeld dat uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderijen in kernrandzones is uitgesloten. Gesteld noch gebleken is dat het standpunt van verweerder dat de kernrandzones in het kader van de reconstructie van het landelijk gebied als extensiveringsgebieden zullen worden aangewezen, onjuist is. Gelet hierop acht de Afdeling het hiervoor weergegeven streekplanbeleid in het algemeen niet onredelijk.

Het in het plan opgenomen bouwblok maakt uitbreiding van de intensieve veehouderijtak van het bedrijf van appellanten mogelijk. Verweerder heeft zich blijkens het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat dit in strijd is met het streekplan. Wel is de Afdeling van oordeel dat verweerder, nu het bedrijf als gevolg van de onthouding van goedkeuring nauwelijks over uitbreidingsmogelijkheden beschikt, had dienen te onderzoeken of het gedeelte van het bouwblok waaraan hij goedkeuring heeft onthouden noodzakelijk is met het oog op de continuïteit van het bedrijf op korte termijn. Van een dergelijk onderzoek is de Afdeling niet gebleken. Het bestreden besluit is mitsdien in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.3. Appellant voert aan dat de onthouding van goedkeuring aan de zinsnede “als steunpunt voor een natuurbeschermingsorganisatie of” van artikel 5, derde lid, onder 2, van de planvoorschriften dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming “Bos- en natuurgebied (N)” met de nadere aanduiding “overig natuurgebied (o)” betreffende het zogenoemde Kasteel van Oijen aan de [locatie], onvolledig is gemotiveerd, nu verweerder ook om andere redenen aan deze zinsnede goedkeuring had moeten onthouden.

2.3.1. Ingevolge artikel 5, derde lid, onder 2, van de planvoorschriften is het binnen de gebiedsaanduiding “bouwblok” toegestaan te bouwen tot behoud en herstel van het aanwezige monument het Kasteel van Oijen en zijn nieuwe gebouwen toegestaan ten behoeve van het gebruik van het kasteel als steunpunt voor een natuurbeschermingsorganisatie of het gebruik voor bewoning, mits aan een aantal nader genoemde voorwaarden wordt voldaan.

2.3.2. Verweerder heeft aan de zinsnede “als steunpunt voor een natuurbeschermingsorganisatie of” van artikel 5, derde lid, onder 2, van de planvoorschriften goedkeuring onthouden wegens het ontbreken van een maximum wat betreft de oppervlakte van bijgebouwen ten behoeve van het gebruik als steunpunt. Verweerder heeft voorts overwogen dat hij, ook indien het kasteel als steunpunt voor een natuurbeschermingsorganisatie wordt gebruikt, bij gebleken noodzaak bijgebouwen aanvaardbaar acht.

2.3.3. De Afdeling stelt vast dat verweerder de bezwaren van appellant tegen het gebruik van het kasteel als steunpunt voor een natuurbeschermingsorganisatie niet heeft behandeld. Ook anderszins blijkt uit het bestreden besluit niet waarom verweerder, gelet op de bezwaren van appellant, dit gebruik niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening acht. Het bestreden besluit berust derhalve in zoverre niet op een draagkrachtige motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.4. Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover dit betrekking heeft op de gronden van de door hem geëxploiteerde fokzeugenhouderij aan de [locatie] te [plaats]. Daartoe stelt hij dat het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied (A)” met de nadere aanduiding “agrarisch bouwblok” de bestaande bebouwing strak omsluit, waardoor nieuwe bedrijfsontwikkelingen onmogelijk zijn. De onthouding van goedkeuring aan een strook grond met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” aan de Molenweg waaraan niet de aanduiding “archeologisch waardevol gebied” is toegekend, acht appellant ontoereikend. Hij wijst er in dit verband op dat in het bestemmingsplan geen mogelijkheden zijn opgenomen om het bedrijf te verplaatsen. Appellant is voorts beducht dat de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” met de nadere aanduiding “archeologisch waardevol gebied”, die aan de buiten het bouwblok gelegen gronden is toegekend, gevolgen zal hebben voor zijn bedrijf.

2.4.1. De gemeenteraad heeft dienaangaande overwogen dat bij het toekennen van een agrarisch bouwblok als uitgangspunt wordt genomen dat bij een volwaardig agrarisch bedrijf binnen de begrenzing een eerste reële uitbreidingsmogelijkheid aanwezig is, onder het voorbehoud dat aan de hierbij gestelde randvoorwaarden kan worden voldaan. Een verdere uitbreiding van het agrarisch bedrijf aan de [locatie] stuit als gevolg van ruimtelijke beperkingen (landschappelijk en archeologisch waardevol gebied) op problemen. De raad heeft in dit verband overwogen dat het een oud bewoningsgebied betreft waar zich de restanten van een middeleeuws kerkje en mogelijk restanten van een vroegmiddeleeuws koningsgoed bevinden. De grillige verkaveling, de plaatselijke niveauverschillen en de knotwilgenrijen zorgen bovendien voor een aantrekkelijke landschappelijke situatie.

De gemeenteraad heeft voorts overwogen dat, indien een agrarisch bedrijf in zijn huidige ligging op beperkingen stuit, de gemeente zich zal inspannen om een verplaatsing naar een toekomstzekere locatie mogelijk te maken. Het beleid is erop gericht om in beginsel te zoeken naar een bestaand agrarisch bouwblok waar het bedrijf kan worden gehuisvest.

2.4.2. Verweerder acht de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” met de nadere aanduiding “archeologisch waardevol gebied” op basis van de feitelijke situatie en de daaromtrent bekende gegevens terecht. Voorts deelt verweerder het standpunt van de gemeenteraad dat de waarden van de aan het bouwvlak grenzende gronden aan een ruimer bouwblok in de weg staan. Verweerder acht op basis van de in het bestemmingsplan opgenomen regelgeving behoud van het bedrijf mogelijk. Verweerder wijst hierbij op de in artikel 27, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de vergroting van het agrarisch bouwblok. Bij eventuele verdere ontwikkeling zullen de aanwezige waarden wel een uitdrukkelijke rol spelen en dienen deze te worden afgewogen ten opzichte van de bij de uitbreiding beoogde belangen.

Wel stelt verweerder zich op het standpunt dat de gemeenteraad had dienen af te wegen of een strook grond met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” aan de Molenweg waaraan niet de aanduiding “archeologisch waardevol gebied” is toegekend aan het bouwblok kan worden toegevoegd. In verband hiermee heeft verweerder aan deze strook goedkeuring onthouden.

Verweerder stelt ten slotte dat het plan voorziet in de mogelijkheid om agrarische bedrijven te verplaatsen naar andere locaties. Daar komen, onder nader geformuleerde voorwaarden, zowel bestaande agrarische als andere (voormalige agrarische) locaties voor in aanmerking.

2.4.3. Blijkens het deskundigenbericht is het ongeveer 5.000 vierkante meter grote bouwblok thans zodanig bebouwd, dat de bedrijfsbebouwing slechts kan worden uitgebreid na vergaande reorganisatie in de vorm van sloop en volledige nieuwbouw. Voorts blijkt dat de strook waaraan goedkeuring is onthouden slechts beperkt geschikt is voor bebouwing in verband met de aan te houden afstand tot de weg. De omliggende gronden, tussen de Molenweg en de Lithsestraat, zijn bestemd tot “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” en voorzien van de aanduiding “archeologisch waardevol gebied”. Blijkens het deskundigenbericht zijn de kenmerken van het gebied als geheel in overeenstemming met deze bestemming, respectievelijk aanduiding. Tegen het betrekken van een strook grond aan de noordzijde van het bouwblok, die thans in gebruik is als dierenweide en die uit logistiek oogpunt geschikt is om als uitbreiding van het bouwblok te dienen, bestaan evenwel uit landschappelijk en cultuurhistorisch oogpunt geen ernstige bezwaren, zo blijkt uit het deskundigenbericht. Voorts moet worden vastgesteld dat de gronden deel uitmaken van een groter gebied tussen en ten zuiden van Lith en Lithoijen, dat in het streekplan Noord-Brabant 2002 is aangeduid als “AHS-landbouw”, waar de instandhouding en de versterking van de landbouw voorop staat. Uitbreiding van bouwblokken voor de intensieve veehouderij is in dit gebied een kwestie van maatwerk, zo vermeldt het streekplan.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit, voorzover daarbij de onthouding van goedkeuring is beperkt tot een strook grond aan de Molenweg waaraan niet de aanduiding “archeologisch waardevol gebied” is toegekend, niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde overweging dat de waarden van de aan het bouwvlak grenzende gronden aan een ruimer bouwvlak in de weg staan. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart aangeduide plandeel.

Voor het overige ziet de Afdeling in het door appellant aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is mitsdien voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.5. Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied (A)” betreffende zijn gronden aan de [locatie], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummers [-] en [-], nu deze bestemming niet voorziet in een agrarisch bouwblok ten behoeve van een vleesvarkensbedrijf dat appellant ter plaatse wil vestigen en waarvoor hem een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is verleend.

2.5.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het toekennen van het agrarisch bouwblok in strijd is met het gemeentelijk beleid, dat gebruik dient te worden gemaakt van vrijkomende agrarische bedrijven.

2.5.2. Verweerder onderschrijft dit beleid en stelt dat appellant geen onderzoek heeft verricht naar het hergebruiken van vrijkomende agrarische bedrijven anders dan in de omgeving van het fokvarkensbedrijf van zijn broer aan de [locatie]. Voorts acht verweerder het toekennen van een bouwblok ten behoeve van nieuwvestiging van intensieve veehouderijen slechts toelaatbaar in een veeverdichtingsgebied en op duurzame projectlocaties voor intensieve veehouderijen. Deze gebieden en locaties worden aangewezen in het kader van het project ‘Revitalisering Landelijk Gebied’ dat thans in ontwikkeling is.

2.5.3. Het beleid van verweerder dat in de behoefte aan locaties voor nieuwe of te verplaatsen bedrijven in beginsel dient te worden voorzien door gebruik te maken van vrijkomende agrarische bouwblokken, acht de Afdeling niet onredelijk.

In het namens appellant ingediende bedenkingengeschrift wordt gesteld dat onderzoek heeft plaatsgevonden naar het hergebruiken van vrijkomende agrarische bedrijven in de omgeving van het fokzeugenbedrijf van de broer van appellant, [appellant sub 3], aan de [locatie] te [plaats]. Uit dit onderzoek is gebleken dat in deze omgeving geen geschikt bedrijf beschikbaar is. Een korte afstand van het fokzeugenbedrijf naar het vleesvarkensbedrijf voorkomt dat de speende biggen over een grote afstand dienen te worden getransporteerd, hetgeen gewenst is om onnodige verspreiding van dierziekten te voorkomen. Op grond van hetgeen in het bedenkingengeschrift is aangevoerd is de Afdeling van oordeel dat verweerder het onderzoek naar vrijkomende bedrijven, gelet op het gebied waarover dit onderzoek zich heeft uitgestrekt, in redelijkheid ontoereikend heeft kunnen achten. In zijn beroepschrift heeft appellant zijn standpunt herhaald. Ter zitting is namens appellant evenwel betoogd dat wel onderzoek naar vrijkomende agrarische bedrijven anders dan in de omgeving van het fokvarkensbedrijf van zijn broer aan de [locatie] heeft plaatsgevonden. De Afdeling acht het in strijd met een goede procesorde dat deze stelling eerst ter zitting is opgeworpen, zodat daaraan moet worden voorbijgegaan.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.6. Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (Wo)” betreffende de percelen [locatie] te [plaats]. Daartoe stelt hij dat deze bestemming slechts twee woningen toelaat, terwijl de ter plaatse aanwezige voormalige boerderij vier woningen bevat.

2.6.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat appellant geen zienswijze of bedenkingen heeft ingediend tegen het op 4 februari 1999 vastgestelde en op 20 april 1999 goedgekeurde bestemmingsplan [locatie] dat in het pand twee woningen toestaat. Dit plan is opgesteld naar aanleiding van zijn verzoek het pand te mogen splitsen in vier eenheden. Appellant heeft tegen de goedkeuring van dit plan evenmin beroep ingesteld.

2.6.2. Verweerder verwijst eveneens naar dit plan en stelt dat niet is aangetoond dat gewijzigde omstandigheden tot een andere bestemming zouden moeten leiden.

2.6.3. De Afdeling ziet geen aanleiding het standpunt van verweerder onredelijk of anderszins onjuist te achten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat blijkens het deskundigenbericht in het pand thans niet vier maar slechts drie woningen aanwezig zijn en dat niet is aangetoond dat de derde woning destijds op legale wijze tot stand is gekomen. De stelling van appellant, dat de derde woning onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan [locatie] zou vallen, is onjuist gebleken.

De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 6]

2.7. Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover dit betrekking heeft op hun gronden aan de [locatie] te [plaats] omdat de aan deze gronden toegekende bestemmingen de doorstart van hun tuincentrum niet toelaten.

2.7.1. Blijkens het deskundigenbericht exploiteerde appellanten van 1977 tot eind jaren ‘80 een tuincentrum annex boomkwekerij. Deze activiteiten zijn inmiddels beëindigd, zij het dat thans nog aan- en verkoop van kerstdennen en aan- en verkoop van boomkwekerijproducten en aanverwante artikelen ten behoeve van de door [appellant sub 7] ontworpen tuinen plaatsvindt. Gelet op het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat deze activiteiten gezien hun aard en omvang door verweerder terecht niet als volwaardig tuincentrum zijn aangemerkt.

De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de door appellanten tijdens de hoorzitting in november 2001 ingediende plannen niet concreet genoeg waren om de door hen gewenste bestemming toe te kennen. Ook verweerder heeft het nadien opgestelde bedrijfsplan onvoldoende geacht om te kunnen dienen als basis voor de door appellanten gewenste bestemming. De Afdeling ziet gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding dit standpunt onredelijk of anderszins onjuist te achten.

De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

Overigens is ter zitting gebleken dat het gemeentebestuur zich in beginsel positief zal opstellen ten aanzien van de plannen van appellanten. Voorts is het deskundigenbericht, voorzover daarin wordt opgemerkt dat het de opstellers voorkomt dat het streekplanbeleid in dit geval niet in de weg zou behoeven te staan aan een bestemmingsplanwijziging die ter plaatse de (her)vestiging van een tuincentrum/boomkwekerij mogelijk maakt, door verweerder niet weersproken.

Het beroep van [appellant sub 7]

2.8. Appellant voert in de eerste plaats aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de begrenzing van het bestemmingsplan voorzover daardoor een gedeelte van het archeologisch waardevolle gebied nabij het sportpark te Lith, gelegen in de S-bocht van de Valkseweg, en een gedeelte van het agrarisch gebied ten oosten van de meest noordelijke bebouwing van de kern Lithoijen buiten het bestemmingsplangebied komen te liggen.

2.8.1. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

2.8.3. Ten aanzien van de begrenzing van het gebied nabij het sportpark te Lith heeft appellant aangevoerd dat binnen de gemeente al eens de gedachte is geopperd om het gedeelte dat thans in het bestemmingsplan “Omgeving Heilig Kempke” ligt voor woningbouw te bestemmen. Appellant wenst dat het wordt bestemd als agrarisch gebied met landschappelijke waarde. De Afdeling is niet gebleken dat de door appellant gewenste bestemming, wat daar verder ook van zij, noodzakelijkerwijs in het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan zou moeten worden geregeld. Overigens is gebleken dat de bestemming die thans op deze gronden rust geen woningbouw toelaat.

2.8.4. Ten aanzien van het agrarisch gebied ten oosten van de meest noordelijke bebouwing van de kern Lithoijen heeft appellant aangevoerd dat het noodzakelijk is dat de gronden die thans nog liggen binnen de bestemmingsplannen die door hem worden aangeduid als “De Kleine Enge II” en “De Kleine Enge III” worden toegevoegd aan het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan. Bovendien valt dan de begrenzing samen met de contour van de geluidszone van de betoncentrale. Daarnaast acht appellant samenvoeging van belang voor de beheersing van het oppervlaktewater in het gebied door het waterschap.

De Afdeling overweegt dat de enkele omstandigheid dat het een gebied betreft dat in één of meer opzichten een geheel vormt, op zichzelf er niet toe noopt de bestemming in hetzelfde bestemmingsplan te regelen. Ook de bedoelde contour en de beheersing van het oppervlaktewater nopen niet daartoe.

2.8.5. De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing, voorzover hier aan de orde, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd. Het door appellant aangevoerde biedt evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat de planbegrenzing zoals hier aan de orde anderszins in strijd is met het recht.

2.9. Appellant kan zich vervolgens niet verenigen met de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied (A)” betreffende gronden die zijn gelegen tussen de Molenstraat en de Valkseweg, voorzover verweerder in dat verband heeft overwogen dat bij de herziening bezien dient te worden of het vroegere gebruik van het deel van de gronden dat grenst aan de kern Lith waar in het verleden fruitteelt heeft plaatsgevonden, aanleiding dient te zijn de begrenzing van de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” aan de westzijde aan te passen. Voorts wenst appellant in dit verband dat op plankaart 3 (Ontwikkelingen) de gronden worden voorzien van een aparte aanduiding die ertoe strekt dat aan het agrarisch gebruik met het oog op de landschappelijke waarden beperkingen worden opgelegd (kleinere kavels, beplantingen en dergelijke).

2.9.1. Verweerder heeft aan het plandeel goedkeuring onthouden omdat zowel deze gronden als de gronden ten oosten ervan, die bestemd zijn als “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)”, in de Landschapsvisie Lith 1999 van de gemeente beide dezelfde aanduiding “coulissen” hebben gekregen en verweerder, mede gebaseerd op onderzoek ter plaatse, geconstateerd heeft dat geen verschil in belevings- en landschapswaarden aanwezig is. Een mogelijke uitzondering acht verweerder de strook grenzend aan de kern waar fruitteelt heeft plaatsgevonden.

2.9.2. De Afdeling stelt vast dat verweerder zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt stelt dat in het kader van de herziening bezien dient te worden of ook de meest westelijke strook van het plandeel waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden, bestemd dient te worden tot “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)”. Gelet op hetgeen omtrent deze strook in het deskundigenbericht wordt opgemerkt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de exacte begrenzing van het tot “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” te bestemmen gebied nader dient te worden bezien.

Op plankaart 3 (Ontwikkelingen) is het plandeel waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden aangeduid als “Agrarisch ontwikkelingsgebied (AOG)”. Ingevolge artikel 25, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften is de hoofdfunctie van het agrarisch ontwikkelingsgebied de landbouw. Ontwikkelingen van de landbouw worden gestimuleerd, met dien verstande dat de lokaal aanwezige natuurwetenschappelijk, landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle elementen, zoals aangegeven op plankaart 1, zullen worden beschermd. Voorts wordt gestreefd naar ontwikkeling van op plankaart 3 aangeven “ecologische verbindingszones” en “te ontwikkelen natte plekken”. In artikel 4, vierde lid, is een aanlegvergunningenstelsel opgenomen voor de gronden met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)”. In artikel 25, tweede lid, zijn criteria opgenomen waaraan met het oog op het behoud van met name de aanwezige landschappelijke, archeologische en natuurwaarden dient te worden getoetst bij de verlening van een aanlegvergunning. De Afdeling ziet, mede in aanmerking genomen het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de aldus geboden planologische bescherming van de landschappelijke waarden ter plaatse van het plandeel waaraan hij goedkeuring heeft onthouden niet toereikend heeft kunnen achten. Verweerder behoefde derhalve uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening de bezwaren van appellant niet mede aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag te leggen.

2.10. Appellant voert voorts aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “Agrarisch ontwikkelingsgebied (AOG)” op plankaart 3 (Ontwikkelingen) voorzover deze aanduiding betrekking heeft op de oeverwallen bij Maren-Kessel, Lith, Lithoijen en Oijen. Hij stelt zich op het standpunt dat deze oeverwallen cultuurhistorisch waardevol zijn en dat met het oog hierop aan het agrarisch grondgebruik beperkingen dienen te worden opgelegd.

2.10.1. Verweerder heeft geen aanleiding gezien deze aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze goedgekeurd.

2.10.2. De Afdeling stelt vast dat op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, versie augustus 2001, aan de oeverwallen als geheel geen hoge cultuurhistorische waarde is toegekend. Wel is blijkens deze kaart ter plaatse van de oeverwallen ten zuiden van Lith, Lithoijen en Oijen sprake van middelhoge tot hoge indicatieve archeologische waarde. De Afdeling is van oordeel dat verweerder in deze indicatieve waarden in redelijkheid geen aanleiding behoefde te zien het plan in zoverre wegens het ontbreken van de door appellant gewenste beperkingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.11. Appellant voert verder aan dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voorzover het niet erin voorziet dat ter bescherming van het leef- en woonmilieu in de kerkdorpen een zone van een kilometer rond deze dorpen in acht wordt genomen waarin geen nieuwvestiging of uitbreiding van niet-grondgebonden bedrijven is toegestaan.

Verweerder acht de door appellant voorgestelde zonering te vergaand en daardoor te beperkend voor deze agrarische bedrijfstak.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Ook overigens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten.

2.12. Appellant voert vervolgens aan dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de aanduiding “Agrarisch bouwblok” met nummer [-] aan de [locatie] voorzover daardoor uitbreiding van de ter plaatse gevestigde nertsenfokkerij in noordelijke richting, in de richting van de bebouwde kom van Lith, mogelijk wordt gemaakt. Appellant acht dit met het oog op het woon- en leefmilieu niet gewenst.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bedrijf op meer dan 250 meter van de kom is gelegen en dat uitbreiding, onder voorwaarden, in noordelijke richting gelet op deze afstand aanvaardbaar is.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Ook overigens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten.

2.13. Appellant voert voorts aan dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plan voorzover de diverse sportvelden en het op plankaart 1 tot “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” bestemde gebied op plankaart 3 (Ontwikkelingen) zijn aangeduid als “Agrarisch ontwikkelingsgebied (AOG)”.

2.13.1. Ingevolge artikel 25, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften is de hoofdfunctie van het agrarisch ontwikkelingsgebied de landbouw. Ontwikkelingen van de landbouw worden gestimuleerd, met dien verstande dat de lokaal aanwezige natuurwetenschappelijk, landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle elementen, zoals aangegeven op plankaart 1, zullen worden beschermd. Voorts wordt gestreefd naar ontwikkeling van op plankaart 3 aangeven “ecologische verbindingszones” en “te ontwikkelen natte plekken”. In artikel 4, vierde lid, is een aanlegvergunningenstelsel opgenomen voor de gronden met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)”. In artikel 25, tweede lid, zijn criteria opgenomen waaraan met het oog op het behoud van met name de aanwezige landschappelijke, archeologische en natuurwaarden dient te worden getoetst bij de verlening van een aanlegvergunning. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de aldus geboden planologische bescherming van de landschappelijke waarden ter plaatse van het op plankaart 1 tot “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” bestemde gebied niet toereikend heeft kunnen achten en in zoverre aan het plan wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening goedkeuring had moeten onthouden.

2.13.2. Ter zitting is gebleken dat de aanduiding van sportvelden op plankaart 3 (Ontwikkelingen) als “Agrarisch ontwikkelingsgebied (AOG)” op een vergissing berust.

2.14. Appellant voert vervolgens aan dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan artikel 7, tweede lid, onder 2, sub b, onder 1, 2 en 3, van de planvoorschriften voorzover daarin de inhoudsmaat van als zodanig bestemde woningen is beperkt tot 600 kubieke meter. Hij acht dit niet correct nu de ten hoogste toelaatbare inhoudsmaat van bedrijfswoningen 750 kubieke meter bedraagt.

Verweerder acht het juist dat een verschil in inhoudsmaat wordt gehanteerd tussen bedrijfs- en burgerwoningen, nu bedrijfswoningen, anders dan burgerwoningen, ook ruimten bevatten die een (afgeleide) bedrijfsfunctie hebben.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Ook overigens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten.

2.15. Appellant voert ten slotte aan dat ten onrechte goedkeuring is verleend artikel 24, tweede lid, van de planvoorschriften voorzover dit de bouw van woningen binnen de op plankaart 2 aangeduide “Geluidszone industrie” niet geheel uitsluit.

Verweerder acht het niet noodzakelijk binnen deze zone woningbouw geheel uit te sluiten, nu het plan slechts incidenteel voorziet in woningbouw en aan de ingevolge de Wet geluidhinder gestelde grenswaarden dient te worden voldaan.

Appellant heeft niet aangegeven waarom hij zich niet met deze weerlegging kan verenigen. De Afdeling ziet derhalve in dit beroepsonderdeel geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door appellant bedoelde planvoorschrift niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.16. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding “Agrarisch ontwikkelingsgebied (AOG)” op plankaart 3 (Ontwikkelingen) voorzover deze aanduiding betrekking heeft op sportvelden. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts ziet de Afdeling in de omstandigheden van het geval aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan de onderdelen van plankaart 3 die nader zijn aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaarten.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend respectievelijk onthouden aan het plan. Het beroep is derhalve voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.17. Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (Wo)” betreffende het perceel [locatie] te [plaats]. Daartoe stelt hij dat de bebouwing op het perceel bestaat uit een woongedeelte (boerenbehuizing) met daartegenaan gebouwd een bedrijfsgedeelte (schapenstal). Bij deze bebouwing ligt een 1,7 hectare groot weiland. Op het perceel worden sedert jaar en dag bedrijfsmatig 40 à 45 fokschapen met lammeren gehouden. In verband hiermee dient aan het perceel een agrarische bestemming te worden toegekend, aldus appellant.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat zijn besluit op dit punt op onjuiste gegevens is gebaseerd. Het bestreden besluit is mitsdien in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (Wo)” betreffende het perceel [locatie] te [plaats].

Het beroep van [appellanten sub 9]

2.18. Appellanten voeren aan dat ten onrechte goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming “Semi- en niet-agrarische bedrijven (Be.52)” met de nadere aanduiding “beeldentuin” betreffende het zuidelijke gedeelte van het perceel [locatie] te [plaats] en aan de vermelding “kunsthandel” in artikel 8, eerste lid, onder 1, bij “Be.52”, van de planvoorschriften. Daartoe stellen zij dat niet valt in te zien waarom de reeds ruim tien jaar aanwezige kunsthandel thans niet meer ter plaatse zou mogen worden geëxploiteerd.

2.18.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften zijn de als “Semi- en niet-agrarische bedrijven” op de plankaart aangegeven gronden voorzover voorzien van de aanduiding “Be.52” bestemd voor de uitoefening van een galerie/kunsthandel aan de [locatie]. Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder 7, mogen op het als “beeldentuin” aangeduide deel van het bestemmingsvlak Be.52 kunstwerken worden geplaatst. Ingevolge artikel 8, derde lid, onder 1, sub d, eerste en tweede volzin, is wat betreft onder meer bestemmingsvlak “Be.52” uitsluitend detailhandel “in de aangegeven goederen” toegestaan.

2.18.2. Verweerder heeft aan deze onderdelen van het plan goedkeuring onthouden omdat hij uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse onwenselijk acht.

2.18.3. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij de bestaande activiteiten ter plaatse toelaatbaar acht. De Afdeling stelt vast dat het plandeel waaraan goedkeuring is onthouden de bestaande beeldentuin betreft. Het bestreden besluit is mitsdien in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Voorts is ter zitting gebleken dat verweerder aan de vermelding “kunsthandel” in artikel 8, eerste lid, onder 1, bij “Be.52”, van de planvoorschriften goedkeuring heeft onthouden omdat hij vreest dat aldus wordt toegelaten dat zich ter plaatse uitsluitend een opslagfunctie ten behoeve van kunsthandel ontwikkelt. Voor deze vrees bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen redelijke grond, nu de vermelding “galerie/kunsthandel” in artikel 8, eerste lid, onder 1, impliceert dat de toegelaten kunsthandel aanverwant is aan de galerie. Het bestreden besluit rust mitsdien in zoverre niet op een draagkrachtige motivering.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met respectievelijk artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan respectievelijk het plandeel met de bestemming “Semi- en niet-agrarische bedrijven (Be.52)” betreffende het zuidelijke gedeelte van het perceel [locatie] te [plaats] en aan de vermelding “kunsthandel” in artikel 8, eerste lid, onder 1, bij “Be.52”.

Het beroep van [appellanten sub 10]

2.19. Appellanten voeren aan dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Semi- en niet-agrarische bedrijven (Be.20)” betreffende hun bedrijfsterrein aan de [locatie sub 1] te [plaats] en aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” betreffende een deel van het perceel [locatie sub 2] te [plaats]. Zij stellen dat de bestemming “Semi- en niet-agrarische bedrijven (Be.20)” slechts een bouwbedrijf toelaat, terwijl ter plaatse ook een timmerfabriek wordt geëxploiteerd. Voorts achten zij het onjuist dat deze bestemming verbreding van de bedrijfsactiviteiten uitsluit; met het oog hierop wensen zij een meer algemene bedrijfsbestemming. Verder achten zij de maximale bebouwingsoppervlakte te beperkend. Ten slotte wensen appellanten dat met het oog op de ontwikkelingsmogelijkheden van hun bedrijven aan het tot “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” bestemde deel van het perceel [locatie sub 2] eveneens een bedrijfsbestemming wordt toegekend.

2.19.1. Verweerder erkent dat ter plaatse eveneens een timmerbedrijf gevestigd is, maar acht het ter ver gaan om die reden goedkeuring te onthouden, nu de bestemming als zodanig niet ter discussie is gesteld. Verweerder acht het in overeenstemming met zijn beleid om niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid terug te dringen, dat de bestaande bedrijven specifiek naar hun aard positief zijn bestemd. Ook de geboden uitbreidingsmogelijkheid acht verweerder in overeenstemming met het streekplanbeleid. In de uitbreidingsplannen van appellanten ziet verweerder onvoldoende aanleiding af te wijken van het streekplan.

2.19.2. In het streekplan Noord-Brabant 2002 wordt ten aanzien van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid vermeld dat deze thuis hoort op een bedrijventerrein of in een kern en dat nieuwvestiging daarom in het buitengebied niet is toegestaan. Bestaande niet aan het buitengebied gebonden bedrijven als thans aan de orde krijgen een uitbreidingsruimte van maximaal 15 procent van de volgens het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

De bebouwing op het bedrijfsterrein, voorzover dit in het voorafgaande bestemmingsplan als zodanig is bestemd, beslaat een oppervlakte van 2.988 vierkante meter. Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder 3, bij “Be.20”, van de planvoorschriften bedraagt de maximale bebouwingsoppervlakte 3.435 vierkante meter. Dit betekent dat de bestaande bedrijfsbebouwing met 15 procent kan worden uitgebreid, hetgeen in overeenstemming is met het hiervoor weergegeven streekplanbeleid. Niet aannemelijk is geworden dat hierdoor aan de door appellanten geëxploiteerde bedrijven zodanige beperkingen worden opgelegd dat verweerder niet in redelijkheid aan het streekplanbeleid heeft kunnen vasthouden.

2.19.3. Het tot “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” bestemde deel van het perceel [locatie sub 2] heeft blijkens het deskundigenbericht nimmer behoord tot de bedrijven van appellanten en wordt thans slechts in beperkte mate bedrijfsmatig gebruikt. Gelet op de omstandigheid dat op het perceel in het verleden een varkenshouderij gevestigd was, moet worden betwijfeld of het huidige gebruik in overeenstemming met het voorgaande bestemmingsplan ontstaan is. Verweerder heeft het mitsdien op goede gronden niet als bestaand bedrijfsterrein aangemerkt. Een bestemming die het gebruik van het terrein ten behoeve van de bedrijven van appellanten toelaat komt derhalve neer op uitbreiding van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid. Niet aannemelijk is gemaakt dat het betrekken van dit terrein bij de bedrijfsvoering van appellanten noodzakelijk is, gelet op de toegelaten omvang van de bedrijfsbebouwing op het bedrijfsterrein aan de [locatie sub 1].

2.19.4. De wens van appellanten om aan hun gronden een algemene bedrijfsbestemming toe te kennen in plaats van de thans aan de orde zijnde maatbestemming berust blijkens het verhandelde ter zitting op de vrees dat in geval van bedrijfsverplaatsing het huidige bedrijfsterrein moeilijker verkoopbaar zal zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder hieraan geen doorslaggevend gewicht behoeven toe te kennen.

2.19.5. De Afdeling stelt voorts vast dat is beoogd de bestaande situatie als zodanig te bestemmen. Niet in geding is dat ter plaatse onder meer een timmerfabriek wordt geëxploiteerd. De bestemming “Semi- en niet-agrarische bedrijven (Be.20)” laat ingevolge artikel 8, eerste lid, onder 1, in samenhang met het gebruiksverbod in het derde lid, op de aldus bestemde gronden slechts een bouwbedrijf toe. In de planvoorschriften is het begrip “bouwbedrijf” niet gedefinieerd, zodat niet duidelijk is of de bestemming de activiteiten van de timmerfabriek toelaat. Het plan is in zoverre in strijd met de rechtszekerheid. Door het plan niettemin in zoverre goed te keuren heeft verweerder gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.19.6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is voorzover het is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Semi- en niet-agrarische bedrijven (Be.20)”, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij dit plandeel is goedgekeurd. Nu rechtens slechts één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding aan dit plandeel goedkeuring te onthouden.

Voorts volgt uit het voorgaande dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond voorzover het is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)”.

Overigens overweegt de Afdeling ten aanzien van de opmerking van verweerder dat abusievelijk goedkeuring is onthouden aan een plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” ten westen van de verfspuiterij, terwijl bedoeld was goedkeuring te onthouden aan het plandeel met dezelfde bestemming ten oosten van de verfspuiterij, dat zijn besluit in zoverre niet is bestreden. Voor een ambtshalve correctie van de vergissing ziet de Afdeling geen aanleiding.

Het beroep van [appellanten sub 11]

2.20. Appellanten voeren aan dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd wat betreft de omvang van het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied (A)” met de nadere aanduiding “agrarisch bouwblok” betreffende het door hen geëxploiteerde vleesvarkensbedrijf aan de [locatie sub 1] te [plaats]. Daartoe stellen zij dat dit bouwblok geen uitbreidingsmogelijkheid biedt en dat het daarom vergroot dient te worden tot 1,5 hectare.

Het beroep tegen de omvang van de bouwblokken van de door hen geëxploiteerde vleesvarkensbedrijven aan de [locatie sub 2] te [plaats] en aan de [locatie sub 3] en de [locatie sub 4], beide te [plaats], hebben appellanten ter zitting ingetrokken.

2.20.1. De gemeenteraad heeft dienaangaande overwogen dat bij het toekennen van een agrarisch bouwblok als uitgangspunt wordt genomen dat bij een volwaardig agrarisch bedrijf binnen de begrenzing een eerste reële uitbreidingsmogelijkheid aanwezig is, onder het voorbehoud dat aan de hierbij gestelde randvoorwaarden kan worden voldaan. Voor een agrarisch bouwblok geldt een maximale breedte van 100 meter en een maximale diepte van 150 meter. In de situatie van appellanten is de maximale diepte van het agrarische bouwblok bereikt. Voorts kent het bedrijf naast milieutechnische ook duidelijke ruimtelijke en infrastructurele beperkingen.

Verweerder kan instemmen met het standpunt van de gemeente.

2.20.2. Ten aanzien van het bouwblok aan de [locatie sub 1] moet worden vastgesteld dat, gelet op de afstand die ter voorkoming van stankhinder tot de nabijgelegen lintbebouwing dient te worden aangehouden, vergroting van het aantal te houden varkens niet mogelijk is. Appellanten voeren aan dat op 21 december 2001 een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is verleend ten behoeve van de vervanging van de bestaande vleesvarkensstal door twee nieuwe groenlabelstallen. Deze stallen kunnen niet binnen het toegekende bouwblok worden gebouwd. Appellanten hebben zich hierop evenwel niet bij verweerder beroepen, zodat verweerder ervan kon uitgaan dat van deze vergunning geen gebruik zou worden gemaakt. De Afdeling ziet gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat het aantal dieren niet mag worden vergroot, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de enge begrenzing van het bouwblok niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Dit onderdeel van het beroep is ongegrond.

2.21. Voorts voeren appellanten aan dat ten onrechte geen bouwblok is opgenomen ten behoeve van het mestbassin op het perceel H444, ten zuidoosten van het perceel [locatie sub 1]

2.21.1. De gronden waarop zich het mestbassin bevindt zijn bestemd tot “Agrarisch gebied (A)”. Een verdere aanduiding ontbreekt. Ingevolge artikel 3, derde lid, onder 1, mogen op deze gronden uitsluitend worden opgericht bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agrarisch grondgebruik met een maximale bebouwingshoogte van 2 meter. Ingevolge artikel 3, derde lid, onder 2, mogen agrarische bedrijfsgebouwen slechts binnen een als zodanig op de plankaart aangeduid bouwblok worden opgericht. Gelet op de begripsomschrijvingen in artikel 1 van de planvoorschriften moet het mestbassin worden aangemerkt als een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zodat het plan de aanwezigheid van het mestbassin op de huidige locatie toelaat.

De Afdeling ziet mitsdien geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Dit onderdeel van het beroep is ongegrond.

2.22. Appellanten stellen ten slotte dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Bos en natuurgebied (N)” met de nadere aanduiding “bos (b)” betreffende een strook grond langs de wetering die grenst aan de zuidzijde van het perceel aan de [locatie sub 1]. Zij vrezen dat deze gronden zullen worden aangewezen als kwetsbaar voor verzuring en dat daardoor hun bedrijfsvoering wat betreft de bedrijven aan de [locatie sub 1] en de [locatie sub 2] zal worden beperkt.

2.22.1. De gemeenteraad stelt dat de bestemming conform het huidige gebruik in het bestemmingsplan is opgenomen.

2.22.2. Verweerder deelt dit standpunt. Voorts stelt verweerder dat gezien de afstand van deze bomenrij tot de bouwblokken aan de [locatie sub 1] en de [locatie sub 2] - respectievelijk ongeveer 300 en 350 meter - en gezien het feit dat de strook niet tot de voor verzuring zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden behoort, deze bestemming geen belemmering zal zijn voor mogelijke uitbreiding van deze bouwblokken.

2.22.3. Het standpunt van verweerder moet, gelet op het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting, juist worden geacht. De Afdeling ziet mitsdien in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Ook dit onderdeel van het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 12]

2.23. Appellant stelt dat aan de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (Wo)” met de nadere aanduiding “woondoeleinden zonder hoofdgebouw (0)” betreffende het perceel [locatie] (voorheen: [-]) een onjuiste motivering ten grondslag is gelegd. Daartoe voert hij aan dat op het perceel altijd een zelfstandige woning met tuin en erf aanwezig zijn geweest. Het bestreden plandeel doet aan deze situatie geen recht, zodat daaraan ook om deze reden goedkeuring had moeten worden onthouden.

2.23.1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder 2, sub c, onder 4, van de planvoorschriften zijn op bestemmingsvlakken met de aanduiding “woondoeleinden zonder hoofdgebouw (0)” geen gebouwen toegelaten met uitzondering van bijgebouwen. Ingevolge artikel 7, vierde lid, aanhef en onder b, geldt (zelfstandige) bewoning van vrijstaande bijgebouwen als strijdig met de bestemming.

2.23.2. Verweerder heeft overwogen dat hij het standpunt van de gemeenteraad, dat het toekennen van een woonbestemming in strijd is met het gemeentelijk en provinciaal beleid inzake burgerwoningen in het buitengebied, deelt, nu het pand niet geregistreerd stond als woning en ook niet gebruikt werd als woning en niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die een uitzondering op dit beleid rechtvaardigen. Om andere, in beroep niet bestreden redenen stelt verweerder zich op het standpunt dat de bestemming ter plaatse van [locatie] niet voor goedkeuring in aanmerking komt, welk plandeel, zo wordt in het bestreden besluit overwogen, op plankaart 1 (blad 1) met blauwe lijnen is aangegeven.

2.23.3. De Afdeling stelt vast dat het perceel [locatie] op plankaart 1 niet blauw is omlijnd en dat uit het vermelde in het bestreden besluit onder “Besluiten” evenmin valt af te leiden dat aan dit plandeel goedkeuring is onthouden, zodat het moet worden geacht te zijn goedgekeurd. Het beroep dient, gelet op de bewoordingen van het beroepschrift en het verhandelde ter zitting, te worden opgevat als te zijn gericht tegen de goedkeuring van de aan het perceel toegekende bestemming voorzover deze geen zelfstandige woning toelaat, welk bezwaar ook als zienswijze en in de bedenkingen naar voren is gebracht.

Blijkens de stukken is het perceel [locatie] ongeveer 1.400 vierkante meter groot. Op het perceel staat een ongeveer 9 meter breed en ongeveer 6 meter diep gebouw met één bouwlaag en een kap.

Het provinciaal beleid is blijkens het streekplan Noord-Brabant 2002 er op gericht het wonen zoveel mogelijk te concentreren in de kernen om verdere verstening van het buitengebied te voorkomen. Toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw is daarom niet toegestaan. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Het gebouw is tot eind 1956 als woning in gebruik geweest. In de periode van 1972 tot 2001 is het vooral in gebruik geweest voor de opslag van tuingereedschap; het is incidenteel bewoond geweest. Vast staat dat het gebouw in het voorafgaande, in 1979 vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied” niet als woning was bestemd. Verweerder heeft gelet hierop de door appellant gewenste woonbestemming als nieuwvestiging van een woning in het buitengebied kunnen aanmerken en in strijd met het streekplan kunnen achten. Daaraan doet niet af dat het gebouw sinds twee jaar permanent wordt bewoond en dat het is ingericht als een woning en onder andere voorzien is van een keuken en een badkamer, nu dit gebruik reeds door de langdurige onderbreking ervan niet wordt gedekt door het overgangsrecht van het bestemmingsplan “Buitengebied” van 1979.

Van bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om van zijn beleid af te wijken is niet gebleken.

De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorzover het niet voorziet in de door appellant gewenste woonbestemming niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.24. Ten aanzien van appellanten sub 2, 3, 8, 9 en 10 dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van appellanten sub 1 en 7 is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellanten sub 1, 2, 8 en 9 geheel gegrond en de beroepen van appellanten sub 3, 7 en 10 deels gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 17 september 2002, nummer 815512, voorzover het betreft:

a. de onthouding van goedkeuring aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied (A)” met de nadere aanduidingen “agrarisch bouwblok” en “niet-grondgebonden (ngg)” betreffende het perceel [locatie] te [plaats], nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart no. 1;

b. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Semi- en niet-agrarische bedrijven (Be.52)” met de nadere aanduiding “beeldentuin” betreffende het zuidelijke gedeelte van het perceel [locatie sub 1] te [plaats], nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart no. 2;

c. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)” betreffende gronden aan de [locatie] te [plaats], nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart no. 3;

d. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden (Wo)” betreffende het perceel [locatie sub 1] te [plaats];

e. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Semi- en niet-agrarische bedrijven (Be.20)” betreffende de percelen [locatie] te [plaats];

f. de onthouding van goedkeuring aan de zinsnede “als steunpunt voor een natuurbeschermingsorganisatie of” van artikel 5, derde lid, onder 2, van de planvoorschriften;

g. de onthouding van goedkeuring aan de vermelding “kunsthandel” in artikel 8, eerste lid, onder 1, bij “Be.52”, van de planvoorschriften;

h. de goedkeuring van de aanduiding “Agrarisch ontwikkelingsgebied (AOG)” op plankaart 3 (Ontwikkelingen) voorzover deze aanduiding betrekking heeft op de sportvelden die nader zijn aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaarten no. 4, 5 en 6;

III. onthoudt goedkeuring aan de planonderdelen als bedoeld onder II.e en II.h;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit wat betreft de planonderdelen als bedoeld onder II.e en II.h;

V. verklaart de beroepen van appellanten sub 4, 5, 6, 11 en 12 geheel ongegrond en de beroepen van appellanten sub 3, 7 en 10 voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten sub 2, 3, 8, 9 en 10 in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal

€ 3.910,17; dit bedrag dient door de provincie Noord-Brabant als volgt te worden vergoed:

aan appellant sub 2 € 851,17, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

aan appellant sub 3 € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

aan appellant sub 8 € 805,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

aan appellanten sub 9 € 805,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

aan appellanten sub 10 € 805,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten sub 1, 2, 3, 7, 8, 9 en 10 het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (aan appellanten sub 1 € 109,00; aan appellant sub 2 € 109,00; aan appellant sub 3 € 109,00; aan appellant sub 7 € 109,00; aan appellant sub 8 € 109,00; aan appellanten sub 9 € 218,00; aan appellanten sub 10

€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Groot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

210.