Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9214

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200205336/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2001 heeft de gemeenteraad van Roosendaal, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 december 2001, het bestemmingsplan "Buitengebied Laagveld" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205336/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “RAPO B.V.” (hierna: RAPO B.V.), gevestigd te Roosendaal,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2001 heeft de gemeenteraad van Roosendaal, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 december 2001, het bestemmingsplan "Buitengebied Laagveld" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 juli 2002, no. 809395, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 1 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2002, en appellante sub 2 bij brief van 1 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2002, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 5 juni 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Een nader stuk van verweerder is ingekomen op 6 juni 2003.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellanten. De genoemde stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2003, waar appellanten sub 1 en 2, beide vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Roosendaal, vertegenwoordigd door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan heeft betrekking op een gebied ten oosten van de kern Roosendaal dat wordt begrensd door de Rucphensebaan in het noorden, door de grens van de gemeente in het oosten, door de Langendijkstraat in het zuiden en in het westen door het stedelijke gebied van Roosendaal en de woningbouwlocatie “Laagveld”.

2.3. Appellanten stellen dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Zij hebben daartoe aangevoerd dat aan hun gronden, voorzover liggend binnen het plangebied, ten onrechte de streefbestemming “Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden” is toegekend. Appellanten stellen dat deze streefbestemming in strijd is met het streekplan, nu daaruit niet blijkt van de aanwezigheid van landschaps- en natuurwaarden ter plaatse. Voorts brengt deze bestemming volgens hen een beperking van de agrarische gebruiksmogelijkheden met zich mee.

Tevens kunnen appellanten, die onder meer aardbeien kweken, zich niet verenigen met het in het bestemmingsplan opgenomen aanlegvergunningstelsel voor drainage en ondersteunende voorzieningen, waaronder ook afdekfolies voor aardbeien. Tevens vinden appellanten dat het aanlegvergunningstelsel ten onrechte ook betrekking heeft op werken en werkzaamheden die in het kader van het normale beheer en de normale agrarische bedrijfsexploitatie plaatsvinden.

2.4. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat in het plangebied landschapswaarden, in de vorm van met name openheid en de authenticiteit van het landschap, en natuurwaarden, die bestaan uit de abiotische en biotische waarden, aanwezig zijn. Om een goed evenwicht tussen deze waarden en de agrarische functie van het gebied te bewerkstelligen is de genoemde streefbestemming toegekend en is tevens in het plan een aanlegvergunningstelsel opgenomen, aldus de gemeenteraad. Het plan zal volgens de gemeenteraad niet leiden tot een onevenredige beperking van de agrarische gebruiksmogelijkheden.

2.5. Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan, voorzover hier van belang, goedgekeurd. Het plan is volgens verweerder terecht gebaseerd op de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden. Dat uit het streekplan niet blijkt van de aanwezigheid van deze waarden doet hier volgens verweerder niet aan af.

Het aan de bestemming “Landelijk gebied” verbonden aanlegvergunningstelsel is volgens verweerder opgenomen om onevenredige gevolgen voor de waterhuishouding en het landschap te voorkomen. Het aanlegvergunningstelsel voorziet volgens hem niet in een uitzondering voor het normale beheer en onderhoud, omdat op voorhand niet duidelijk is dat deze activiteiten geen gevolgen zullen hebben voor de aanwezige waarden. Verweerder heeft daarbij overigens opgemerkt dat het aanbrengen van drainage niet tot het normale beheer en onderhoud moet worden gerekend.

2.6. Ten aanzien van het streefbeeld overweegt de Afdeling, als volgt. In het streekplan zijn de gronden van appellanten aangeduid als “AHS-landbouw”. Dat uit de aanduiding van het streekplan niet blijkt van de aanwezigheid van bijzondere waarden op de desbetreffende gronden neemt niet weg dat ter plaatse dergelijke waarden aanwezig kunnen zijn, dan wel kunnen worden ontwikkeld. Deze aanwezige, dan wel potentiële waarden kunnen in de bestemmingsregeling tot uitdrukking komen.

In het plan hebben de desbetreffende gronden de bestemming “Landelijk gebied” met als streefbeeld “Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden”.

Ingevolge artikel 4.2.7. van de planvoorschriften in samenhang bezien met artikel 4.1. wordt voor de gronden met de bestemming “Landelijk gebied” gestreefd naar behoud, herstel en versterking van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden. Gelet op de genoemde doeleindenomschrijving in samenhang bezien met artikel 4.2.7. komt aan het op plankaart 2 opgenomen streefbeeld in zoverre geen bijzondere betekenis toe.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.6.1. Wat betreft het aan de bestemming “Landelijk gebied” verbonden aanlegvergunningstelsel overweegt de Afdeling, als volgt.

Ingevolge artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voorzover zulks noodzakelijk is om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming en voorzover zulks noodzakelijk is ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming.

Ingevolge artikel 4.2.7. van de planvoorschriften in samenhang bezien met artikel 4.1. van de planvoorschriften wordt voor de gronden met de bestemming “Landelijk gebied” gestreefd naar behoud, herstel en versterking van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden.

Ingevolge artikel 4.6.1. van de planvoorschriften geldt voor de in dit voorschrift genoemde werken en werkzaamheden, voorzover deze niet zijn uitgezonderd in artikel 4.6.2., een aanlegvergunningplicht.

Ingevolge artikel 4.6.1. onder b, geldt voor de desbetreffende gronden een aanlegvergunningvereiste voor drainage.

Ingevolge artikel 4.6.1. onder f, geldt ter plaatse van deze gronden een aanlegvergunningvereiste voor het aanbrengen van ondersteunende voorzieningen, behoudens teeltondersteunende kassen, waarvoor vrijstelling kan worden verleend ingevolge het bepaalde in artikel 4.4.4., alsmede behoudens ondersteunende voorzieningen in de categorie “overig”.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder m, van de planvoorschriften wordt onder teeltondersteunende voorzieningen onder meer verstaan afdekfolies als ondersteunende voorziening ten behoeve van de vollegrondse fruitteelt.

Voorzover appellanten bezwaar hebben tegen het aanlegvergunningvereiste voor drainage, overweegt de Afdeling dat blijkens het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het rapport “Inventarisatie natuurwaarden Laagveld” ([naam], nota 135, 2001), in het plangebied plaatselijk sprake is van vrij hoge natuurwaarden die vooral bestaan uit de aanwezige kwelflora. Blijkens het genoemde rapport vormt een ongewijzigde (grond)waterhuishouding een belangrijke randvoorwaarde voor de instandhouding van de kwelflora. Volgens het deskundigenbericht kan drainage van invloed zijn op de hoogte van het grondwater, hetgeen negatieve gevolgen kan hebben voor met name de kwelflora. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat aan deze conclusies dient te worden getwijfeld. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat drainage niet behoort tot de werkzaamheden die in het kader van het normale onderhoud, dan wel de normale agrarische bedrijfsexploitatie worden verricht. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat een aanlegvergunningvereiste voor drainage niet kan bijdragen aan de bescherming van de aan de gronden gegeven bestemming en dus niet noodzakelijk is. Voorts is niet aannemelijk dat dit aanlegvergunningvereiste tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering zal leiden.

Ten aanzien van het aanlegvergunningvereiste voor het toepassen van afdekfolies over aardbeienplanten, overweegt de Afdeling als volgt. Het plangebied is in het streekplan aangeduid met “AHS-landbouw”. Het provinciale beleid, als verwoord in het streekplan is er op gericht teeltondersteunende voorzieningen in gebieden met deze aanduiding in beginsel toe te staan. Natuur- en landschapskwaliteiten, alsmede overwegingen van cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard kunnen echter aanleiding zijn om het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen op bepaalde plaatsen te beperken. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat het gebruik van afdekfolies ten behoeve van de aardbeienteelt van ingrijpende betekenis zal zijn voor de aanwezige waarden ter plaatse. Daarbij merkt de Afdeling op dat blijkens het deskundigenbericht de witte folies ten behoeve van de aardbeienteelt slechts een hoogte van 30 centimeter hebben en zij uitsluitend worden aangebracht over de rijen aardbeienplanten en niet op de tussen gelegen gedeelten, zodat gevolgen voor de openheid en grondwaterstand niet zijn te verwachten. Verder acht de Afdeling aannemelijk dat het verbinden van een aanlegvergunningvereiste aan het gebruik van afdekfolies met name vanuit een oogpunt van vorstbescherming onevenredige belemmeringen voor de agrarische bedrijfsvoering van appellanten met zich brengt.

Ten aanzien van het aanlegvergunningvereiste voor werken en werkzaamheden die behoren tot het normale onderhoud en de normale agrarische bedrijfsexploitatie, overweegt de Afdeling het volgende. Het enkele feit dat zich onder de aanlegvergunningplichtige werken en werkzaamheden enkele werken en werkzaamheden bevinden die ook voorzover zij in het kader van het normale onderhoud en de normale agrarische bedrijfsexploitatie plaatsvinden mogelijk schade aan de aanwezige en potentiële waarden kunnen toebrengen, is onvoldoende om aan al deze werken en werkzaamheden een vergunningplicht te verbinden.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voorzover verweerder daarbij goedkeuring heeft verleend aan het aanlegvergunningstelsel, als neergelegd in artikel 4.6.1. van de planvoorschriften, voorzover het betrekking heeft op de percelen van appellanten, wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. In deze proceskosten zijn inbegrepen de te vergoeden kosten voor een deskundige die aan appellanten een verslag heeft uitgebracht. Deze vergoeding wordt aan elk van de appellanten voor de helft toegekend. Voorts is de schriftelijke reactie op het deskundigenbericht in één stuk verwoord, namens beide appellanten gezamenlijk, en is voor appellanten één gemachtigde ter zitting verschenen, die voor appellanten tezamen een pleidooi heeft gehouden. Hierin ziet de Afdeling aanleiding in zoverre de vergoeding voor rechtskundige bijstand aan ieder van de appellanten voor de helft toe te kennen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 24 juli 2002, no. 809395, voorzover verweerder goedkeuring heeft verleend aan artikel 4.6.1. van de planvoorschriften, voorzover dit betrekking heeft op de percelen van [appellant sub 1] en RAPO B.V.;

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van totaal € 1259,46: dit bedrag dient door de provincie Noord-Brabant als volgt te worden betaald:

- aan [appellant sub 1] € 629,73, waarvan een gedeelte groot € 563,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- en aan RAPO B.V. € 629,73, waarvan een gedeelte groot € 563,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor [appellant sub 1] en € 218,00 voor RAPO B.V.) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

270-425.