Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9211

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200204081/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 1999 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) geweigerd een door appellant overgelegd uittreksel uit het geboorteregister (hierna: de geboorteakte) te legaliseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204081/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 18 juni 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 1999 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) geweigerd een door appellant overgelegd uittreksel uit het geboorteregister (hierna: de geboorteakte) te legaliseren.

Bij besluit van 22 november 2000 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bewaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 oktober 2002 heeft de minister van antwoord gediend. Daarbij heeft hij op de voet van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht verzocht om ten aanzien van een aantal stukken, die betrekking hebben op het door de Nederlandse ambassade te Islamabad in Pakistan verrichte verificatie-onderzoek, toe te staan dat appellant daarvan geen, dan wel gedeeltelijk geen, kennis kan nemen. Op

21 mei 2003 heeft de Afdeling, in andere samenstelling, beslist dat het verzoek gerechtvaardigd is. Appellant heeft bij brief van 28 mei 2003 toestemming verleend om mede op basis van deze stukken uitspraak te doen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.T.C. Rutgens, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Legalisatie van de geboorteakte is geweigerd, omdat met betrekking tot ter legalisatie overgelegde documenten uit Pakistan volgens het terzake gevoerde beleid op voorhand wordt uitgegaan van twijfel aan de juistheid van de inhoud van die documenten en die twijfel niet door middel van objectieve bronnen is weggenomen.

2.2. Appellant betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat van hem niet kan worden verwacht dat hij alle twijfel bij de minister omtrent de inhoud van de door hem ter legalisatie aangeboden geboorteakte wegneemt. Door de rechtbank had moeten worden beoordeeld of de minister in redelijkheid nog kon twijfelen aan de in de geboorteakte vermelde geboortedatum, aldus appellant.

2.3. Voorzover appellant aldus beoogt te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het door de minister gevoerde beleid, wat betreft de bewijslast en de bewijsmiddelen, niet redelijk is, faalt het betoog.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van

11 mei 2000 in zaak nr. 199900131/1, AB 2000, 305) bestaat geen grond voor het oordeel dat het door de minister met betrekking tot ter legalisatie overgelegde documenten uit de zogenoemde probleemlanden, waaronder Pakistan, gevoerde beleid, waarbij wordt uitgegaan van twijfel aan de juistheid van de inhoud van die documenten, kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onjuist geacht moet worden.

2.4. Appellant klaagt voorts tevergeefs dat, nu de twijfel van de minister slechts op grond van een beweerdelijk in 1989 afgegeven schoolcertificaat is ingegeven, de rechtbank dit document nimmer onder ogen heeft gehad en hij zowel de afgiftedatum als de daarin vermelde geboortedatum voldoende gemotiveerd heeft betwist, de rechtbank niet tot het oordeel heeft mogen komen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de twijfel omtrent de inhoudelijke juistheid van de geboorteakte niet is weggenomen. Ter zitting bij de Afdeling is immers door partijen bevestigd dat het schoolcertificaat uit 1989 zich onder de tot het dossier behorende stukken bevindt. Hoewel niet duidelijk is op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat dit laatste niet het geval is, heeft zij met juistheid overwogen dat de minister zich reeds op grond van dit schoolcertificaat in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de op voorhand aanwezige twijfel aan de inhoudelijke juistheid van de geboorteakte van appellant niet is weggenomen.

2.5. Voorts ontbeert het betoog dat appellant ten onrechte geen kennis heeft kunnen nemen van de gedingstukken K, L en M, betekenis, nu de Afdeling, in een andere samenstelling, geheimhouding van die stukken gerechtvaardigd heeft geacht en appellant voorts toestemming heeft verleend om mede op basis van deze stukken uitspraak te doen.

2.6. De Afdeling is ook overigens van oordeel dat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat de minister de weigering om de geboorteakte te legaliseren niet op de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen mocht handhaven.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en

mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

273-438.