Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200203652/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2001 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 oktober 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Westerdokseiland".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203652/1

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] allen wonend te [woonplaats],

2. de vereniging "Bond Heemschut Vereniging tot Bescherming van Cultuurmonumenten in Nederland”, gevestigd te Amsterdam,

3. [appellanten sub 3], beiden wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5]., allen wonend te [woonplaats],

6. de vereniging "Vereniging Vier-de-Wereld", gevestigd te Amsterdam, e.a.,

7. de stichting "Stichting Wijkopbouworgaan De Gouden Reael", gevestigd te Amsterdam,

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2001 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 oktober 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Westerdokseiland".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 juni 2002, no. 2002-6903, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij faxbericht van 25 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2002, appellante sub 2 bij brief van 24 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2002, appellanten sub 3 bij brief van 25 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2002, appellant sub 4 bij faxbericht van 27 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2002, appellanten sub 5 bij faxbericht van 27 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2002, appellanten sub 6 bij faxbericht van 28 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2002, appellante sub 7 bij brief van 27 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2002, en appellant sub 8 bij brief van 20 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2002, beroep ingesteld. Appellant sub 4 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 4 september 2002. Appellante sub 7 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 18 september 2002. Appellant sub 8 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 26 augustus 2002.

Bij brief van 6 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 juni 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2003, waar appellanten sub 1, in de persoon van [een van de appellanten], appellante sub 2, vertegenwoordigd [gemachtigde], appellanten sub 3, in de persoon van [een van de appellanten], appellant sub 4, in persoon, appellanten sub 5, in persoon, appellanten sub 6, in de persoon van [een van de appellanten] en bijgestaan door [gemachtigde], appellante sub 7, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellant sub 8, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Amsterdam, vertegenwoordigd door M. van Gessel, E. Hollander, mr. E.A. Minderhoud, P. van Rossum, en D. Stadig, alsmede Bouwfonds Ontwikkeling B.V. e.a., vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan heeft betrekking op het Westerdokseiland en biedt het juridisch-planologisch kader voor de herstructurering van dit gebied tot een door grote diversiteit gekenmerkt woon- en werkgebied. In dat kader beoogt het plan met de ontwikkeling van compacte en deels hoge bebouwing als markering de visuele relatie tussen de stad en het IJ te versterken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellanten sub 5 menen dat de inspraak als voorzien in artikel 6a van de WRO niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, aangezien een voorontwerp is besproken dat niet vergezeld ging van een volledige toelichting.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 6a van de WRO de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan worden betrokken op de wijze zoals voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening. De gemeenteraad van Amsterdam heeft een dergelijke verordening vastgesteld waarin een regeling is getroffen voor het doen van beklag over de uitvoering van de verordening. Niet is gebleken dat appellanten sub 5 van deze regeling ten aanzien van de inspraak over het voorliggende plan gebruik hebben gemaakt. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding op het bezwaar van appellanten sub 5 ter zake van de inspraak verder in te gaan.

2.4. Appellanten sub 5 stellen dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd, omdat het plan in strijd met artikel 25 van de WRO niet binnen vier maanden na de terinzageligging van het ontwerp-plan is vastgesteld.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat de in artikel 25 van de WRO gestelde termijn is overschreden. Uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan evenwel worden afgeleid dat de gemeenteraad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder in de overschrijding van de gestelde termijn aanleiding had moeten zien om goedkeuring aan het plan te onthouden. Derhalve heeft verweerder in het onderhavige bezwaar terecht geen grond gezien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.5. Appellanten sub 5 zijn van mening dat het bestreden besluit en plan in strijd met artikel 28, zesde lid, van de WRO niet binnen twee weken na de bekendmaking van het besluit ter inzage zijn gelegd.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat de onderhavige beroepsgrond betrekking heeft op een onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Deze onregelmatigheid kan derhalve geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.6. Appellanten sub 5 stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, nu bij de plantoelichting niet zoals toegezegd de in de inspraak overgelegde vragenlijst voorzien van antwoorden is gevoegd.

2.6.1. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor vergezeld gaan van een toelichting, waarin is neergelegd een rapportering van de inspraak als bedoeld in artikel 6a van de wet in samenhang met artikel 150, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet. Nu in de toelichting op het voorliggende plan een verslag van de gehouden inspraak is opgenomen, is daarmee voldaan aan het vorengenoemde vereiste aan de toelichting. Gelet reeds hierop heeft verweerder in de door appellanten sub 5 gestelde onvolledigheid van de plantoelichting geen aanleiding behoeven te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.7. Appellanten sub 1, 4 en 5 stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover op gronden met de bestemming “Water (Vw)” geen ligplaatsen voor woonboten mogelijk zijn. Naar hun mening biedt het plan hierdoor onvoldoende ruimte om alle huidige woonboten in het plangebied een ligplaats te geven.

2.7.1. Verweerder meent dat het plan in zoverre niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens hem is binnen het plangebied voor de thans aanwezige woonboten een ligplaats gegarandeerd.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat de gemeenteraad in de stukken en ter zitting heeft verklaard dat alle in het plangebied aanwezige bewoners van woonschepen, woonvaartuigen en arken in de nieuwe situatie een ligplaats in het plangebied terugkrijgen. Het gaat hierbij om 60 ligplaatsen, aangezien ten tijde van de vaststelling van het plan 61 woonboten in het plangebied aanwezig waren en de bewoners van één woonboot uit het plangebied zullen vertrekken.

Een deel van de in het plan begrepen gronden heeft de bestemming "Water (Vw)" en nadere aanduiding "ligplaatsen met steigers t.b.v. woonboten en bedrijfsschepen" gekregen. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn deze gronden bestemd voor ligplaatsen met steigers ten behoeve van woonboten en bedrijfsschepen. In aanmerking genomen de omvang van de gronden en het ontwerp-steigerplan voor de inrichting van de gronden acht de Afdeling niet aannemelijk dat het plan onvoldoende ruimte biedt voor de aanleg van de benodigde 60 ligplaatsen ten behoeve van woonboten.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.8. Appellanten sub 5, 6, 7 en 8 stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover dit stedelijke functies in de voorziene omvang toestaat op gronden ten westen van de Westerdokdijk. Gezien de toegestane bouwhoogte vrezen zij voor een aantasting van het beschermde stadsgezicht ten westen van het Westerdok. Ook verwachten appellanten sub 5, 6, 7 en 8 dat de bewoners en omwonenden geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geboden: er zal een tekort zijn aan groen, speelruimte, uitzicht alsmede licht en zij vrezen voor windhinder. Voorts menen zij dat de ecologische waarden van de betrokken gronden zijn genegeerd.

Appellanten sub 3 en 4 stellen ook dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het toestaan van evenbedoelde stedelijke functies, maar beperken dit tot het meest noordelijke deel van de betrokken gronden. Volgens hen zal de aldaar toegestane bebouwing eerdergenoemd beschermd stadsgezicht aantasten en speelruimte onmogelijk maken.

2.8.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het plan wat betreft de in het geding zijnde plandelen niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens hem is in het plan rekening gehouden met een zorgvuldige aansluiting op het beschermde stadsgezicht: de bouwhoogte komt in essentie overeen met de voor de binnenstad gebruikelijke bouwhoogte. Verder zal volgens verweerder sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tot slot bezitten de in het geding zijnde gronden naar de mening van verweerder geen te beschermen ecologische waarden.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat de in het geding zijnde gronden vier bouwvlakken met de bestemming “Stedelijke functies I (SFI)” betreffen. Op de drie meest zuidelijke bouwvlakken en het zuidelijke deel van het meest noordelijke bouwvlak staat het plan een maximale bouwhoogte van 35 meter gemeten vanaf de Westerdokdijk toe. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder het tweede gedachtestreepje, van de planvoorschriften wordt van de drie meest zuidelijke bouwvlakken respectievelijk ten minste 2.500 m², 3.000 m² en 3.000 m² als cour ingericht. Onder een cour wordt verstaan een niet-openbare en al dan niet met privé-buitenruimte gemengde collectieve ruimte in het bouwblok waaraan de (hoofd)entrees van de omliggende units zijn gelegen, aldus artikel 1, aanhef en onder 24, van de planvoorschriften. Op het noordelijke deel van het meest noordelijke bouwvlak staat het plan een maximale bouwhoogte van 37,5 meter gemeten vanaf de Westerdokdijk toe.

Wat betreft de gevreesde aantasting van het beschermd stadsgezicht is allereerst van belang dat de reikwijdte van een aanwijzing tot beschermd stadsgezicht niet zover gaat dat de daarbij behorende beschermende voorschriften van toepassing zijn op hetgeen niet in de aanwijzing is begrepen. Daarentegen moet ervan worden uitgegaan dat de begrenzing van het beschermde stadsgezicht zodanig is gekozen als nodig voor de handhaving van het te beschermen stadsbeeld, ook van buitenaf. De gevolgen van daarbuiten vallende bebouwing voor het beschermde stadsgezicht kunnen slechts tezamen met alle andere belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden betrokken. Gezien de afstand tussen de in het geding zijnde gronden en het beschermde stadsgezicht alsmede in aanmerking genomen de in het plan gestelde beperking van de maximale bouwhoogte, ziet de Afdeling geen reden om aan te nemen dat de gevolgen van de ter plaatse toegestane bebouwing zodanig zullen zijn dat verweerder het plan op dit punt reeds daarom niet in redelijkheid in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten.

Ten aanzien van het woon- en leefklimaat acht de Afdeling niet aannemelijk dat de voorziene bebouwing zodanige gevolgen zal hebben dat verweerder in redelijkheid niet van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft kunnen spreken. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan op gronden met de in het geding zijnde bestemming en de bestemmingen “Verkeersareaal (Ve) ”en “Openbare ruimte (Vo)” de aanleg van groenvoorzieningen mogelijk maakt. Voorts is van belang dat binnen en buiten het plangebied mogelijkheden bestaan tot het inrichten van speelruimten. Ook komt betekenis toe aan de omstandigheid dat vanwege de ligging van de gronden tussen het IJ en het Westerdok alsmede vanwege de mogelijkheid tot het inrichten van bovengenoemde cours een onaanvaardbare belemmering van uitzicht en lichttoetreding niet aannemelijk is. Tot slot is relevant dat de aanvaardbaarheid van het windklimaat inmiddels door onderzoek is bevestigd en dat de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding geven om aan de uitkomsten van dat onderzoek te twijfelen.

Met betrekking tot de mogelijke ecologische waarden van de in het geding zijnde gronden wordt overwogen dat, gelet op de stukken, in het bijzonder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting, onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat in het plangebied bijzondere en/of beschermde planten- of diersoorten aanwezig zijn. Verweerder heeft dus in redelijkheid ervan kunnen uitgaan dat de betrokken gronden geen ecologische waarden bezitten die beschermd moeten worden.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft de in het geding zijnde plandelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.9. Appellante sub 2 stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover dat het oprichten van een gebouw mogelijk maakt in het als “de kop” aangeduide deel van het IJ. Zij vreest voor een kolossaal gebouw dat het zicht op het IJ ernstig zal aantasten.

2.9.1. Verweerder heeft het plan op dit punt niet strijdig met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij stelt dat op de betrokken gronden geen sprake zal zijn van een massief gesloten gebouwencomplex, zodat deze markante plek een stedenbouwkundig verantwoorde invulling zal krijgen. In dit kader wijst verweerder op mededelingen van het gemeentebestuur, het maximaal volumepercentage en de te respecteren zichtlijnen.

2.9.2. De Afdeling overweegt dat het plan op de betrokken gronden een bebouwing mogelijk maakt binnen een vlak van 177 meter bij 60 meter. Dit bebouwingsvlak mag volledig bebouwd worden. De maximaal toegelaten hoogte van deze bebouwing bedraagt 46 meter. Voorts geldt voor het gebouw een maximaal volumepercentage van 60%. Tot slot dienen de op de plankaart indicatief aangegeven zichtlijnen te worden gerespecteerd.

Uit het voorgaande volgt dat het plan ondanks de beperking van het volume omvangrijke en gesloten bebouwing toestaat op de in het geding zijnde gronden. Verwijzingen van het gemeentebestuur naar het stedenbouwkundig plan van eisen en/of bouwplan maken dit niet anders, aangezien thans slechts het bestemmingsplan aan de orde is. Het respecteren van de zichtlijnen leidt evenmin tot een ander oordeel. De zichtlijnen zijn immers slechts indicatief aangegeven, zodat onduidelijk is welke delen van het bebouwingvlak lagere bebouwing zullen krijgen dan wel onbebouwd zullen blijven.

Aangezien niet is gebleken dat verweerder zich van het hiervoor overwogene rekenschap heeft gegeven, is het bestreden besluit op dit punt genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van appellante sub 2 is dus gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft het aan de orde zijnde plandeel wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.10. Appellanten sub 5 stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Water (Vw)” en aanduiding “voormalige spoorbrug” van de vroegere spoorbrug aan de zuidzijde van het plangebied. Volgens hen had de brug niet in geopende staat bestemd mogen worden, aangezien hierdoor niet langer een ligplaats voor een woonboot naast de brug mogelijk is.

2.10.1. De Afdeling stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op het onderhavige bezwaar van appellanten sub 5. Het door verweerder onderschrijven van de reactie van het gemeentebestuur op de bedenkingen maakt dit niet anders. Verweerder onderschrijft de reactie immers slechts in grote lijnen. Voorts is van belang dat in de reactie van het gemeentebestuur weliswaar wordt ingegaan op bezwaren tegen het onderhavige plandeel, maar dat hier geen bespreking plaatsvindt van de door appellanten sub 5 gehanteerde argumentatie.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. In zoverre is het beroep van appellanten sub 5 dan ook gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft het aan de orde zijnde plandeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11. Ten aanzien van appellanten sub 1, 3, 4, 6, 7 en 8 bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Ten aanzien van appellante sub 2 is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Ten aanzien van appellanten sub 5 dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 2 geheel en het beroep van appellanten sub 5 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 25 juni 2002, kenmerk 2002-6903, voorzover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming “Stedelijke functies II (SFII)”;

b. het plandeel met de bestemming "Water (Vw)" en de

aanduiding "voormalige spoorbrug";

III. verklaart de beroepen van appellanten sub 1, 3, 4, 6, 7 en 8 geheel en het beroep van appellanten sub 5 voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellanten sub 5 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 33,40; het bedrag dient door de provincie Noord-Holland te worden betaald aan appellanten sub 5;

V. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten sub 2 en 5 de door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierechten

(€ 209,00 voor appellante sub 2 en € 105,00 voor appellanten sub 5) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Snijders

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

279